ECLI:NL:CBB:2018:376

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juli 2018
Publicatiedatum
23 juli 2018
Zaaknummer
17/1448
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling oppervlakte subsidiabele landbouwgrond voor GLB-betalingen 2016

Appellante, een maatschap, maakte bezwaar tegen de vaststelling van het bedrag aan betalingsrechten en vergroeningsbetaling voor 2016 door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het geschil betrof de oppervlakte van perceel 3, waarop appellante een koepad had ingetekend. Verweerder stelde dat het koepad een groter deel van het perceel besloeg dan appellante had opgegeven.

Tijdens de zitting op 9 juli 2018 bevestigde appellante dat het beroep zich uitsluitend richtte op de oppervlakte van perceel 3. Het College beoordeelde luchtfoto’s, met name een winterfoto uit 2016, en constateerde afwijkingen in kleur en structuur van het gewas op het zuidwestelijke gedeelte van het perceel, wat verweerder recht gaf in zijn vaststelling.

De filmbeelden die appellante toonde waren van juli 2018 en konden daarom niet relevant zijn voor de situatie in 2016. Het College concludeerde dat verweerder terecht een deel van het perceel niet had meegeteld voor de betalingsrechten. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de oppervlakte van perceel 3 voor GLB-betalingen 2016 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1448
5111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] )
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. van Rijn),.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 14 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2018.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1.1
Het beroep ziet, zo heeft appellante ter zitting bevestigd, alleen nog op de vaststelling van de oppervlakte van het perceel dat in de Gecombineerde Opgave 2016 van appellante is aangeduid als perceel 3. Appellante heeft op dit perceel een koepad ingetekend. Volgens verweerder beslaat het koepad een groter deel van het perceel dan appellante heeft opgegeven.
Volgens appellante grazen haar koeien op de gronden aan weerszijden van het door haar ingetekende koepad. Zij is het niet eens met de oppervlakte die verweerder daaraan heeft toegekend.
1.2
Op basis van de door verweerder toegezonden luchtfoto’s van perceel 3 (in het bijzonder de winterfoto 2016) stelt het College vast dat de kleur en structuur van de gewassen op het zuidwestelijke gedeelte van het perceel afwijken van de kleur en structuur van het gewas op het goedgekeurde deel van het perceel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte dit gedeelte van het perceel niet in aanmerking heeft genomen voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2016. De ter zitting door appellante getoonde filmbeelden van het perceel maken dit niet anders omdat deze beelden dateren van 8 juli 2018 en niets zeggen over de situatie in 2016.
2. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.
w.g. B. Bastein w.g. J.B.C. van der Veer