ECLI:NL:CBB:2018:452
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen maatregel vanwege verdenking bacterie Ralstonia solanacearum op rozenkwekerij
Appellante exploiteert een rozenkwekerij waar een partij rozen mogelijk besmet was met de bacterie Ralstonia solanacearum (RS). Verweerder legde op grond van artikel 2 van Pro het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso) een maatregel tot vastlegging op om verspreiding te voorkomen. Na nader onderzoek bleek de partij niet besmet, waarna de maatregel werd opgeheven en een verzoek van appellante om een maatregel op grond van andere Bbso-artikelen werd afgewezen.
Appellante maakte bezwaar tegen beide besluiten en stelde dat de maatregel onterecht was opgelegd en dat verweerder had moeten besluiten op haar verzoek om een maatregel op grond van artikel 3 van Pro het Bbso, zodat zij aanspraak kon maken op schadevergoeding. Verweerder stelde dat de maatregel terecht was vanwege de verdenking en dat de afwijzing van het verzoek correct was omdat geen besmetting was vastgesteld.
Het College oordeelde dat de verdenking voldoende grond was voor de vastlegging en dat het primaire besluit 1 niet de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 3 Bbso Pro inhield. Het beroep richtte zich dan ook terecht tegen het primaire besluit 2, waarin het verzoek werd afgewezen. Omdat geen besmetting was aangetoond, was er geen grond voor maatregelen op grond van artikel 3 Bbso Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de maatregel wegens verdenking van bacterie Ralstonia solanacearum is ongegrond verklaard.