ECLI:NL:CBB:2019:104
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- T.L. Fernig-Rocour
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na onterechte vastlegging rozenplanten wegens vermoeden Ralstonia-besmetting
Appellante exploiteert een rozenkwekerij en liet in 2016 een partij van 5000 rozenplanten bemonsteren op de bacterie Ralstonia solanacearum (RS). Na melding van een mogelijke besmetting legde de NVWA een maatregel tot vastlegging op, waardoor de planten niet mochten worden verhandeld of behandeld. Later bleek uit nader onderzoek dat de planten niet besmet waren.
Appellante verzocht om een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 4 Plantenziektenwet Pro (Pzw), omdat de vastlegging haar rozen waardeloos maakte. Verweerder wees dit verzoek af met het argument dat de schade tot het normale bedrijfsrisico behoort, mede omdat appellante zelf het initiatief tot bemonstering nam en de overheid verplicht was maatregelen te nemen bij een mogelijke besmetting.
Het College oordeelt dat de schade voortvloeit uit een ondernemersbeslissing van appellante, zoals het niet verzorgen van de planten tijdens de vastlegging, en dat de vastlegging zelf niet onontkoombaar tot de schade leidde. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de schade onevenredig zwaar is en buiten het normale bedrijfsrisico valt. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van schadevergoeding wegens vastlegging van niet-besmette rozenplanten wordt ongegrond verklaard.