Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2018 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] ,te [plaats] ,
appellanten
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft bij uitspraak van 17 oktober 2018 het beroep van appellanten gegrond verklaard tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de vaststelling van fosfaatrechten. Het geschil betrof de toepassing van een generieke korting van 8,3% op het fosfaatrecht voor niet grondgebonden melkveehouderijen en de vraag welke dieren op de peildatum 2 juli 2015 meetellen voor de vaststelling van het fosfaatrecht.
Het College oordeelde dat de generieke korting, die niet geldt voor grondgebonden bedrijven, niet in strijd is met het eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De korting dient het algemeen belang van het behoud van de derogatie en is niet onevenredig. Wel stelde het College vast dat de uitleg van de minister dat kalveren die op 2 juli 2015 zijn afgevoerd niet meetellen, niet juist is. Volgens het College moeten alle melkvee die op enig moment op die datum aanwezig waren worden meegeteld.
Het bestreden besluit is daarom vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onjuiste toepassing van de generieke korting en onjuiste vaststelling van het aantal melkvee op de peildatum.