Appellante heeft bij haar gecombineerde opgave 2015 een aanvraag gedaan voor toekenning van betalingsrechten uit de Nationale reserve en de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen, inclusief extra betaling voor jonge landbouwers. Verweerder heeft bij primaire besluiten een lager aantal betalingsrechten toegekend en een korting toegepast op de betalingen vanwege afwijkingen in de oppervlakte.
Na bezwaar heeft verweerder de besluiten gedeeltelijk herroepen en het aantal betalingsrechten en de betalingen verhoogd, maar appellante was het niet eens met de vastgestelde oppervlakte van bepaalde percelen, met name perceel 3 dat gesplitst werd vanwege een fietspad en ruigte. Appellante stelde dat deze percelen wel subsidiabel landbouwareaal zijn, onderbouwd met eigen meetresultaten en gebruik voor begrazing en hooiwinning.
Het College oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat delen van de percelen geen landbouwareaal vormen, omdat een deel een fietspad is en het overige ruigte betreft, wat niet subsidiabel is. De meetresultaten van de NVWA uit 2016 zijn niet doorslaggevend omdat ze niet over dezelfde percelen gaan en geen informatie geven over vegetatie.
Verder faalt het beroep van appellante tegen de toegepaste korting op de basisbetaling en vergroeningsbetaling. Het College bevestigt haar eerdere uitspraak dat de brief van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 7 april 2015 geen ondubbelzinnige toezegging inhoudt dat geen korting zou worden toegepast bij te veel opgegeven grond.
Daarom verklaart het College de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.