Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats 1] , appellante
(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),
[naam 2] AA (betrokkene)
Procesverloop in hoger beroep
7 november 2016, met nummer 16/1434 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:107).
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Klachtonderdeel a, dat het verwijt inhoudt dat betrokkene creatief is omgegaan met de cijfers van [naam 4] door in de balans per 30 november 2013 de post ‘voorraden’ te laag voor te stellen en bij de post ‘dubieuze debiteuren’ ten onrechte een voorziening op te nemen, heeft de accountantskamer ongegrond verklaard, omdat appellante niet heeft betwist dat in de boekhoudsoftware van de onderneming de voorraadadministratie en financiële administratie niet waren gekoppeld en de aansluiting slechts jaarlijks, per 31 december, werd gemaakt, waardoor de waarde van de voorraad per 30 november 2013 door middel van boeking van een journaalpost in de financiële administratie moest worden gemuteerd en dat die waarde in vergelijking met de stand per 31 december 2012 met € 182.179 was verminderd. Voorts heeft appellante ten aanzien van het opnemen van een voorziening voor de resterende vordering op [naam 6] niet beargumenteerd weersproken dat laatstgenoemde op de vordering niets had afbetaald en dat het faillissement van dit bedrijf dreigde.
Appellante stelt dat betrokkene aldus diverse onjuiste boekingen in aanmerking heeft genomen. Ten aanzien van deze posten is het onderzoek van betrokkene incorrect uitgevoerd, althans er is onvoldoende nader onderzoek gedaan. De verklaringen van betrokkene over de financiële status van de onderneming zijn volgens appellante misleidend te noemen. In het boekhoudprogramma had betrokkene de laatste wijzigingen kunnen zien en met voorgaande feiten bekend kunnen zijn. Naar de mening van appellante is het misleidend om niet de laatst bekende resultaten per 31 december 2013 mee te nemen en het UWV aldus vals voor te lichten. Het verschil tussen het negatieve resultaat van € 155.000 en de later geconstateerde winst van € 39.408 is in zowel relatieve als absolute zin hoog. Pas bij een verlies zal het UWV een ontslagvergunning toekennen. De rechter heeft het door UWV verleende ontslag op basis van de door betrokkene verstrekte stukken ook als kennelijk onredelijk beoordeeld. De financiële situatie is daarbij van essentieel belang.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.