1.3Bij besluit van 2 juli 2010 heeft verweerder op de aanvraag van appellante tot subsidievaststelling beslist en de subsidie vastgesteld op € 140.800,-.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie van appellante vastgesteld op
€ 127.798,- en een bedrag van € 13.002,- teruggevorderd van appellante, omdat tijdens een herbeoordeling van het subsidieproject van appellante is geconstateerd dat sprake is van facturatie door een medebegunstigde ( [naam 6] ) als derde.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten. Verweerder heeft uiteengezet dat bij de herbeoordeling van het project is geconstateerd dat door medebegunstigde [naam 6] voor een totaalbedrag van € 92.000,- is gefactureerd en is gedeclareerd bij de aanvraag tot subsidievaststelling. De facturen van [naam 6] zijn bij de eerdere subsidievaststelling ten onrechte als kosten derden aangemerkt. Bij gefactureerde en gedeclareerde kosten gaat verweerder ervan uit dat een bepaald deel van deze kosten bestaat uit winstopslag. De verleende subsidie mag echter niet tot doel of gevolg hebben dat zij een begunstigde winst oplevert. Het achteraf berekenen van de winstopslag in deze facturen is lastig. Appellante heeft ook geen stukken kunnen overleggen op grond waarvan de winstopslag alsnog zou kunnen worden berekend. Om die reden heeft verweerder besloten om een verlagingspercentage te hanteren van 25%. Dit percentage heeft verweerder gebaseerd op Commissiebesluit C(2011) 7321 (Commission Decision of 19.10.2011, C(2011) 7321 final). Dit besluit geeft richtlijnen voor correctiebesluiten van de Europese Commissie gericht aan de lidstaten. Deze richtlijnen bevatten de mogelijkheid om een forfaitair percentage van 25% toe te passen bij geconstateerde systeemfouten, wanneer de omvang daarvan niet exact berekend kan worden. Verweerder heeft daarom een korting van 25% op het door [naam 6] gefactureerde bedrag toegepast en € 23.000,- in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.
4. Appellante voert aan dat verweerder geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt dat een deel van de door [naam 6] gefactureerde kosten uit winstopslag bestaat. Dit standpunt is louter gebaseerd op een aanname. De kosten van € 92.000,- zijn bij de verlening en bij de vaststelling gerubriceerd en goedgekeurd, deels onder loonkosten voor de ontwikkeling van de innovatie en instructie en deels onder kosten voor de aanschaf van de materialen voor de innovatieve overlevingsbakken. De kosten voor het ontwikkelen van de overlevingsbakken zijn gewaardeerd tegen een normaal en geaccepteerd tarief voor loonkosten / eigen arbeid van € 35,- per uur. Ter zitting heeft appellante er verder op gewezen dat [naam 6] zijn kosten op de desbetreffende facturen heeft gezet, teneinde de kosten inzichtelijk te maken. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder q van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (Verordening 1198/2006).
5. Verweerder stelt hiertegenover dat niet valt uit te sluiten dat in de desbetreffende facturen van [naam 6] winstopslag is verdisconteerd. Nu appellante de afwezigheid van winstopslag niet aannemelijk heeft gemaakt of dit met objectieve documenten heeft gestaafd, heeft verweerder een forfaitair verlagingspercentage op deze gedeclareerde kosten moeten toepassen. Verweerder heeft erop gewezen dat de kosten op de drie facturen in rekening zijn gebracht conform een eerdere offerte, waarop algemene en zakelijke voorwaarden van toepassing zijn. Verder omvat de omschrijving op deze facturen geen expliciete aanwijzingen dat de levering en installatie van de overlevingsbakken tegen kostprijs zijn gerealiseerd, noch wordt anderszins aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van winstopslag. Op de vraag tijdens de hoorzitting in bezwaar of sprake is van winstopslag bij de levering en installatie van de bakken teneinde het percentage of het bedrag aan winstopslag te kunnen bepalen, heeft verweerder van appellante geen inhoudelijk antwoord gekregen. De algemene begroting van de Europese Unie is aldus benadeeld, zodat sprake is van een onregelmatigheid.
6. Het College overweegt als volgt.