Appellant vroeg subsidie aan voor een investering in een composteerinstallatie op grond van de Regeling LNV-subsidies. De minister stelde de subsidie oorspronkelijk vast op €64.356,07 en verhoogde dit later tot €77.554,30 na bezwaar. Het geschil betrof de subsidiabiliteit van kosten voor houtsnippers en een opstartadvies.
De minister achtte de kosten van de houtsnippers niet subsidiabel omdat deze geen onderdeel van de installatie vormen maar reguliere bedrijfskosten zijn die regelmatig ververst moeten worden. Ook de kosten voor het opstartadvies werden deels niet als installatiekosten erkend.
Het College oordeelde dat de houtsnippers terecht niet subsidiabel zijn omdat zij geen fysieke investering vormen die in stand gehouden wordt. Voor het opstartadvies stelde het College vast dat een deel van de kosten terecht niet als installatiekosten werd aangemerkt, maar dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de subsidiabiliteit van kosten gerelateerd aan het meten en berekenen van de beluchtingsvloer. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werden de proceskosten van appellant toegewezen.