Appellante, een landbouwonderneming, kreeg van de minister betalingsrechten toegekend op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Tegen de toewijzing en uitbetaling van deze rechten voor het jaar 2015 stelde appellante beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het geschil betrof de subsidiabiliteit van meerdere percelen, waaronder een voormalige vuilstort, een perceel met mogelijk recreatieve functie, en een gazon.
Het College overwoog dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar de feitelijke situatie van de percelen. Zo was onduidelijk of perceel 143 daadwerkelijk niet subsidiabel was wegens verruiging en verstruiking, en werd de motivering van de weigering onvoldoende geacht. Ook bij de percelen 144, 151-153 en 156 was nader onderzoek noodzakelijk vanwege onduidelijkheden over het gebruik en de kwalificatie als landbouwgrond.
Daarom vernietigde het College de bestreden besluiten en droeg de minister op binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante, vastgesteld op €1.002,-. De betaalde griffierechten van €666,- moesten aan appellante worden vergoed.