Appellant kreeg een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, gevolgd door een kostenbesluit voor de bestuurlijke handhaving. Na bezwaar en een tussenuitspraak werd een wijzigingsbesluit genomen, maar het College oordeelde dat de motivering omtrent de strekking van maatregel 1 onvoldoende was hersteld. De maatregel was niet duidelijk toegespitst op de huisvestingseisen voor kalveren, waardoor de kosten ten onrechte bij appellant werden gelegd.
Het College vernietigde het bestreden besluit en herroept het kostenbesluit, waarbij deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens oordeelde het College dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met anderhalf jaar, wat volledig aan het bestuursorgaan kon worden toegerekend. Daarom werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €1.500 aan appellant.
Daarnaast werden de proceskosten van appellant vastgesteld op €1.252,50 en werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. S.C. Stuldreher op 14 februari 2018.