ECLI:NL:RVS:2014:188
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- P.J.J. van Buuren
- T.G.M. Simons
- M.W.C. Feteris
- R.F.B. van Zutphen
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in verblijfsvergunningprocedure
Appellanten hebben aanvragen ingediend voor verblijfsvergunningen die buiten behandeling zijn gesteld wegens het niet betalen van leges. Na diverse procedures, waaronder bezwaar, beroep en hoger beroep, werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aanvankelijk afgewezen door de rechtbank Oost-Brabant.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd kan zijn in bijzondere omstandigheden, zoals het afwachten van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Echter, in deze zaak was de periode van aanhouding niet volledig redelijk, mede omdat de rechtbank appellanten niet in de gelegenheid stelde bezwaren tegen de aanhouding kenbaar te maken.
De Afdeling stelde vast dat de totale procedureduur de redelijke termijn met ruim twee jaar en negen maanden heeft overschreden. Op grond daarvan werd de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot betaling van een vergoeding van € 2.000 per persoon voor de bezwaarfase en de minister van Veiligheid en Justitie tot € 1.000 per persoon voor de beroepsfase. Tevens werden proceskosten en griffierecht vergoed.
Uitkomst: De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris en minister tot betaling van vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de verblijfsvergunningprocedure.