Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2018 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante
(gemachtigde: mr. B. ten Doesschate),
[betrokkene] RA(betrokkene)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het vorenstaande laat onverlet dat zich in een concreet geval specifieke omstandigheden kunnen voordoen, waarin er belemmeringen bestaan voor het indienen van een opvolgende klacht, omdat eerderbedoelde algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. Ten aanzien van de klacht van appellante bestonden dergelijke belemmeringen naar het oordeel van het College niet. Met de onderhavige klacht heeft appellante geen klacht ingediend waarop door de tuchtrechter al eerder definitief is beslist, zodat geen sprake is van ‘bis in idem’. De klacht die appellante op 23 juni 2015 bij de accountantskamer had ingediend zag op de weigering van betrokkene in 2014 (een afschrift van) de opdrachtbevestiging aan haar te verstrekken, terwijl de onderhavige klacht – kort gezegd – ziet op de inhoud en de totstandkoming van het rapport. Hoewel de twee klachten in zekere zin met elkaar in verband staan, is geen sprake van een zodanige onderlinge verwevenheid dat de tweede klacht niet inhoudelijk zou mogen worden beoordeeld. Voorts is niet gesteld dat met het indienen van de tweede klacht sprake is geweest van misbruik van klachtrecht of dat de inhoudelijke behandeling anderszins in strijd komt met de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde. Dat betekent dat de accountantskamer de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Beslissing
- verwijst de zaak naar de accountantskamer teneinde met inachtneming van deze
uitspraak inhoudelijk op de klacht te beslissen.