In het bij dit besluit gevoegde berekeningsoverzicht staat bij kostenpost D ‘
Ontwikkeling, aanschaf of het testen van nieuwe apparaten, diensten, technologieën of andere innovaties’, voor zover hier van belang:
“(…)
Aangezien het voor mij niet mogelijk is om per factuur te beoordelen in hoeverre het hier om projectgerelateerde en/of redelijke kosten gaat, ben ik voor de berekening van de kosten van de verschillende boten uitgegaan van de informatie die u heeft verschaft in uw brief van 1 juli 2016 in combinatie met de door u toegezonden overzichten afvaarten over 2014 en 2015. In overeenstemming met uw brief is voor elke excursie drie uur tijd gerekend. Voor het varen naar de haven van Hindeloopen en het voorbereiden van de excursie is 2,25 uur gerekend, dit is het gemiddelde van de 2 tot 2,5 uur die u hiervoor heeft aangegeven. Voor het varen naar de thuishaven en het schoonmaken en opruim is eveneens 2,25 uur gerekend, dit is het gemiddelde van de door u aangegeven 2 tot 2,5 uur. Voor het klaarmaken en uitzetten van het visgerei is 8 uur gerekend, het gemiddelde van de door u aangegeven 6 tot 10 uur. En voor het afstemmen van de vissers met de overige organisaties is per week 1,75 uur gerekend, het gemiddelde van de 1,5 tot 2 uur die door u is aangegeven. Dit is inclusief de uren die besteed zijn aan eventuele overleggen. Uit de door u toegestuurde urenregistraties is het verschil tussen mogelijke telefonische overleggen en mogelijke bijeenkomsten niet altijd duidelijk te maken. Echter een gemiddeld aantal uren van 1,5 tot 2 uur per week lijkt voor telefonisch overleg en vergaderingen tezamen niet onredelijk te zijn. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat er steeds sprake is van twee vissers per boot en met het op de facturen vermelde uurtarief van € 35,00.
Voor de HI 35 (volgnummer 101) kom ik hierbij op een aantal van 1511,5 aan subsidiabele uren, bij een uurtarief van € 35,00.
Voor de ST 8 (volgnummer 102) kom ik hierbij op een aantal van 1009,5 aan subsidiabele uren, bij een uurtarief van € 35,00.
Voor de WON 38 (volgnummer 103) kom ik hierbij op een aantal van 798 aan subsidiabele uren, bij een uurtarief van € 35,00.
Voor de WON 39 (volgnummer 104) kom ik hierbij op een aantal van 788 aan subsidiabele uren, bij een uurtarief van € 35,00.
Van de overige gefactureerde uren is onvoldoende aangetoond dat deze aantoonbaar rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen.
(…)”
Verweerder heeft de verzameling van alle kosten voor I 35, ST 8, WON 38 en WON 30, gehonoreerd op respectievelijk € 52.902,50, € 35.332,50, € 27.930,- en € 27. 580,- en dus in totaal op een bedrag van € 143.745,-, terwijl appellante in het kader van de aanvraag om subsidievaststelling een totaalbedrag van € 203.170,- voor deze kosten had opgevoerd.