Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
(…)"
(…)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde een zaak waarin appellante een randvoorwaardenkorting van 5% opgelegd kreeg voor het jaar 2016 vanwege drie niet-nalevingen, waarvan twee in 2015 en één in 2016 plaatsvonden. De korting werd berekend over de betalingen van 2016, het jaar van constatering. Appellante betwistte de korting en stelde dat deze over het jaar van niet-naleving had moeten worden berekend.
De zaak betrof onder meer onjuiste registratie van diergeneesmiddelen en het ontbreken van een schone ligplaats voor kalveren. Het College constateerde dat de eerste en derde niet-nalevingen terecht waren vastgesteld en dat de sanctie conform de geldende EU-verordeningen was opgelegd. Echter, het College twijfelde aan de geldigheid van de bepalingen die de korting baseren op het jaar van constatering in situaties waarin dit jaar verschilt van het jaar van niet-naleving.
Gezien het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Teglgaard en Fløjstrupgård, waarin werd geoordeeld dat verlagingen van rechtstreekse betalingen moeten worden berekend over het jaar van niet-naleving, stelde het College prejudiciële vragen over de geldigheid van de relevante artikelen in Verordening 1306/2013 en Verordening 809/2014. Totdat het Hof van Justitie uitspraak doet, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Uitkomst: De beslissing is aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de geldigheid van de bepalingen betreffende het jaar van berekening van de randvoorwaardenkorting.