Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
10 juni 2015, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante één overtreding wordt tegengeworpen.
26 november 2015, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 18 november 2015, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante zeven overtredingen worden tegengeworpen.
8 januari 2016, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 4 januari 2016, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante zes overtredingen worden tegengeworpen.
15 januari 2016, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 4 januari 2016, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante één overtreding wordt tegengeworpen.
9 februari 2015 heeft behandeld en heeft verklaard dat de koeien er goed uitzagen en niet waren verwaarloosd. Tijdens de controle van 5 februari 2015 was NVWA-inspecteur [naam inspecteur] een heel andere mening toegedaan.
(…)”
19 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:124). De door appellante ter onderbouwing van overgelegde verklaring van de klauwverzorger, het bedrijfsoverzicht KlauwGezondheid en de twee visiteformulieren van de dierenarts leveren naar het oordeel van het College echter onvoldoende grond op voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in de rapporten. Daarbij komt dat zij vooral algemeen van aard zijn waartegenover gedetailleerde bevindingen in de rapporten staan die zijn opgemaakt naar aanleiding van vijf controles in 2015. Verweerder mocht de rapporten dus aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Van de door appellante gestelde vooringenomenheid van de toezichthouders en dierenarts van de NVWA is het College niet gebleken.
5 februari 2015 geconstateerde niet-naleving een randvoorwaardenkorting van in de regel 3% vast te stellen. Tussen partijen is niet in geschil dat op 28 mei 2014 en 21 augustus 2014 eenzelfde niet-naleving is geconstateerd en dat verweerder daarvoor aan appellante voor het jaar 2014 een randvoorwaardenkorting van 15% heeft opgelegd. Bij brief van 16 april 2015 heeft verweerder appellante medegedeeld dat, nu het maximum van 15% uit herhaling is bereikt, als deze voorwaarde nogmaals wordt overtreden, wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen, heeft appellante nadien diezelfde verplichting nog driemaal niet nageleefd. Verweerder heeft dan ook op grond van artikel 40 van Pro Verordening 640/2014, in samenhang gelezen met artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel, de randvoorwaardenkorting voor de niet-nalevingen van deze verplichting mogen vaststellen op 40%.
4 november 2015 en 16 december 2015, te bestempelen als ‘herhaling’.
4 november 2015 en 16 december 2015 dezelfde verplichting niet heeft nageleefd. Verweerder heeft deze niet-nalevingen aan appellante medegedeeld. Het College begrijpt de beroepsgrond van appellante zo dat er van herhaling in geval van de niet-naleving op 16 december 2015 geen sprake kan zijn, nu er een dusdanig kort tijdsbestek zat tussen de constateringen op 4 november 2015 en 16 december 2015 dat appellante de mogelijkheid niet heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te beëindigen. Dit wel van haar verwachten zou, zo stelt appellante, onevenredig zijn nu het in een dusdanig kort tijdsbestek onmogelijk is om kostbare veranderingen volledig rond te krijgen. Het College stelt vast dat appellante haar stelling dat zij onvoldoende mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om de eerdere niet-naleving te beëindigen en dat het in haar concrete geval om kostbare veranderingen gaat niet heeft onderbouwd. Appellante heeft hiermee onvoldoende weerlegd dat zij voldoende mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om de eerdere niet-naleving te beëindigen. Verweerder heeft aldus terecht geconcludeerd dat er ten aanzien van de geconstateerde niet-naleving van 16 december 2015 is voldaan aan artikel 38, eerste lid, van Verordening 640/2014.