ECLI:NL:CBB:2019:170

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
25 april 2019
Zaaknummer
16/1183
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 91 Verordening 1306/2013Art. 92 Verordening 1306/2013Art. 93 Verordening 1306/2013Art. 97 Verordening 1306/2013Art. 99 Verordening 1306/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging randvoorwaardenkorting GLB-inkomenssteun wegens herhaalde overtredingen dierenwelzijn

Appellante heeft voor het jaar 2015 rechtstreekse betalingen aangevraagd binnen het GLB. Na meerdere controles door de NVWA werden diverse overtredingen van dierenwelzijnsverplichtingen vastgesteld, waaronder onvoldoende verzorging van zieke dieren en onveilige behuizingen. Verweerder legde aanvankelijk een korting van 70% op, welke bij bezwaar werd verlaagd naar 55%.

Het College overwoog dat de rapporten van de NVWA als uitgangspunt mogen dienen, tenzij gemotiveerd betwist, wat appellante onvoldoende deed. De herhaalde niet-naleving van de verplichting tot adequate verzorging en het raadplegen van een dierenarts werd als opzettelijk beoordeeld, wat een hogere korting rechtvaardigt. Ook de herhaalde tekortkomingen in de behuizing werden bevestigd als herhaling binnen de wettelijke termijn.

Het College verwierp het betoog van appellante dat de korte tijd tussen constateringen het toepassen van herhaling onredelijk maakt. Tevens werd bevestigd dat de korting over het gehele kalenderjaar 2015 terecht is opgelegd, in lijn met EU-verordeningen en jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 55% op de GLB-inkomenssteun voor 2015 blijft van kracht.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1183

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. V.C. van der Velde),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB ( de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting van 70% vastgesteld op de aan appellante te verlenen rechtstreekse betalingen voor het jaar 2015.
Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2015 wordt verlaagd naar 55%.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder en appellante hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Voor appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. M. Bosma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.
1.1
Appellante heeft voor 2015 rechtstreekse betalingen aangevraagd.
1.2
Op 5 februari 2015 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle gehouden op het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een toezichtsrapport, gedateerd 17 februari 2015, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 12 februari 2015, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante twee overtredingen worden tegengeworpen.
1.3
Op 3 juni 2015 hebben toezichthouders van de NVWA een controle gehouden op het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een rapport van bevindingen, gedateerd 16 juni 2015, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd
10 juni 2015, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante één overtreding wordt tegengeworpen.
1.4
Op 4 november 2015 hebben toezichthouders van de NVWA een controle gehouden op het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een rapport van bevindingen, gedateerd
26 november 2015, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 18 november 2015, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante zeven overtredingen worden tegengeworpen.
1.5
Op 16 december 2015 hebben toezichthouders van de NVWA een controle gehouden op het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een rapport van bevindingen, gedateerd
8 januari 2016, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 4 januari 2016, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante zes overtredingen worden tegengeworpen.
1.6
Op 18 december 2015 hebben toezichthouders van de NVWA een controle gehouden op het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een rapport van bevindingen, gedateerd
15 januari 2016, en een rapport nalevingsspecificatie opgesteld. De bij die controle aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft over die controle een veterinaire verklaring, gedateerd 4 januari 2016, opgesteld. Uit het rapport nalevingsspecificatie volgt dat op basis van die controle aan appellante één overtreding wordt tegengeworpen.
1.7
Bij brief van 10 december 2015 heeft verweerder appellante medegedeeld dat uit controles is gebleken dat niet aan alle randvoorwaarden is voldaan. Daarbij heeft verweerder appellante op de hoogte gesteld van het voornemen tot het toepassen van een korting van 20% op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in 2015.
1.8
Bij brief van 7 april 2016 heeft verweerder appellante medegedeeld dat verweerder na de brief van 10 december 2015 van de NVWA nieuwe informatie heeft ontvangen waaruit is gebleken dat er nog meer overtredingen van randvoorwaarden zijn geconstateerd. Verweerder heeft in de brief van 7 april 2016 appellante op de hoogte gesteld van het voornemen een korting van 70% toe te passen op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in 2015.
1.9
Bij het primaire besluit heeft verweerder een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 70% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellante de volgende verplichtingen op het terrein dierenwelzijn niet heeft nageleefd:
- de verplichting kalveren een goede verzorging te geven;
- de verplichting kalveren te laten beschikken over op hun leeftijd en gewicht afgestemd voeder dat beantwoordt aan de met hun gedrag samenhangende en hun fysiologische behoeften;
- de verplichting kalveren te voorzien van voldoende vers water van passende kwaliteit;
- de verplichting voeder- en drinkinstallaties zo te ontwerpen, bouwen, plaatsen en onderhouden dat gevaar voor verontreiniging van voeder en water wordt beperkt;
- de verplichting dat ligruimte van een stal comfortabel en zindelijk is;
- de verplichting dieren te laten verzorgen door personen die beschikken over voldoende kennis en vaardigheden en vakbekwaam zijn;
- de verplichting dieren die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze te verzorgen of een dierenarts te raadplegen;
- de verplichting een ziek of gewond dier zo nodig af te zonderen in een passend onderkomen;
- de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden;
- het verbod om stoffen aan dieren toe te dienen of te voeren die schadelijk zijn voor de gezondheid of het welzijn van een dier.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de randvoorwaardenkorting voor subsidiejaar 2015 verlaagd naar 55%. Verweerder heeft hierbij uiteengezet een tweetal overtredingen van de randvoorwaarden niet langer aan appellante tegen te werpen, omdat op basis van het onderzoek er onvoldoende grond is voor de conclusie dat appellante niet beschikte over de nodige kennis en vaardigheden om haar dieren te verzorgen en dat appellante stoffen aan dieren heeft toegediend of gevoerd die schadelijk zijn voor de gezondheid of het welzijn van een dier. De overige overtredingen heeft verweerder gehandhaafd. In het bestreden besluit staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…)
Verzorging/dierenarts raadplegen
Tijdens de controle van 5 februari 2015 is tevens geconstateerd dat circa 50% van de aanwezige melkkoeien klauwproblemen had en werden er meerdere zieke dieren aangetroffen.
De koe met werknummer 0671 had 14 dagen daarvoor afgekalfd. Het dier was kruislam geweest en kon niet staan. In overleg met u en de praktiserend dierenarts is het geëuthanaseerd. Het schaap met code (…) was ernstig ziek en is net als het rund geëuthanaseerd. Het kalf met werknummer 0883 stond met een ronde rug en rilde en de oren stonden niet zoals het behoort te zijn. De kalveren in hok 3 en 4 waren aan het hoesten. U gaf aan dat de dieren behandeld waren, maar de inspecteurs twijfelen hieraan. Na de controle is er twee keer contact geweest met de praktiserend dierenarts, die aangaf dat er in totaal nog vier runderen waren geëuthanaseerd door de diarree-uitbraak op uw bedrijf. U kon niet aantonen wanneer de runderen voor het laatst door een voetenbad waren gelopen en wanneer welke runderen voor het laatst aan de klauwen waren behandeld. De praktiserend dierenarts is veel te laat of niet ingeschakeld bij ernstig zieke dieren.
Op 3 juni 2015 heeft er een hercontrole plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat het rund met werknummer 7368 ernstig kreupel was. Er was een verband aangelegd om de linkerachterklauw. Dit verband zat volgens de NVWA-dierenarts te strak om de klauw en kneep de bloedsomloop af. Dit verband was door uzelf aangebracht. Er bevond zich een ontsteking aan de achterzijde van de klauwspleet. Volgens de NVWA-dierenarts was deze aandoening aan de klauw ontstaan door Mortellaro. U behandelde de ontstoken klauw met de desinfecterende gel Intrahoof-fit, met registratienummer 109438. Uit het behandelplan van de praktiserend dierenarts bleek later dat er een ander middel had moeten worden gebruikt.
Ook op 4 november 2015 heeft er een hercontrole plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat het kalf met werknummer 0965 traag was en een met dunne mest bezoedelde achterhand had. De praktiserend dierenarts adviseerde die dag om dit dier te behandelen. Ook de kalveren 0964 en 0967 waren bezoedeld met mest en moesten worden behandeld. Verschillende kalveren hadden ernstige huidlaesies als gevolg van tricophytie. De praktiserend dierenarts concludeerde dat de ernstig aangetaste dieren behandeld moesten worden. Er was tevens een pink (3448) die linksvoor kreupel was en daardoor nauwelijks de poot belastte, en een stier (4842) die mager was en rechtsachter kreupel liep. Ook was er een koe met baarmoederontsteking (0722) en een koe met een gescheurde pees (9623), waarvoor geen dierenarts was geraadpleegd. Uit een gesprek met de praktiserend dierenarts bleek dat er wel een plan van aanpak was gemaakt om de hoge sterfte bij de kalveren tegen te gaan, maar u gaf aan dit nog niet actief na te leven.
Op 16 december 2015 heeft er nogmaals een hercontrole plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat het rund met de gescheurde pees (9623) was geëuthanaseerd. De benodigde vervolgbehandelingen waren niet in het logboek genoteerd. Twee kalveren (0981 en 9353) hadden diarree en drie andere kalveren maakten een zieke indruk (kromme rug, mager, hangende oren, rillen). Slechts één van deze vijf kalveren was door een dierenarts behandeld. Verschillende runderen hadden zeer ernstige schurft. Dit was bij de eerdere controle ook al geconstateerd, er stond echter sindsdien geen behandeling in het logboek vermeld. Een kalf (5193) bleef liggen en had een pompende ademhaling. Ook kalf 0938 was erg sloom, liet de oren hangen en bleef op één plaats staan. De NVWA-dierenarts gaf aan dat deze dieren geen behandeling hebben gehad. Verder waren er veel schapen met schurft, een vervuild achterwerk door diarree en een slechte conditie. Er is besloten dat alle 40 schapen en 15 jonge runderen meegevoerd zouden worden. De hercontrole is wegens schemering en een onveilige wegsituatie op 18 december 2015 voortgezet. Tijdens de controle zijn 39 van de 59 schapen in beslag genomen. Er was een ram met een bloederige zwelling aan de poot. Alle vier rammen hadden een ecthyma-achtige aandoening aan de poten, die zeer besmettelijk was. Ze zijn alle in beslag genomen.
Tijdens de hoorzitting gaf u aan dat een klauwbekapper van AB uw melkkoeien op
9 februari 2015 heeft behandeld en heeft verklaard dat de koeien er goed uitzagen en niet waren verwaarloosd. Tijdens de controle van 5 februari 2015 was NVWA-inspecteur [naam inspecteur] een heel andere mening toegedaan.
Hierover merk ik het volgende op.
Uit de verklaring van de klauwverzorger, [naam klauwverzorger], het scoringsformulier van AB en de ‘klauwgezondheidsscore’ van 9 februari 2015 blijkt niet dat er ten tijde van de constateringen sprake was van een goede klauwverzorging. Integendeel, hierin wordt bevestigd dat er een groot aantal runderen (ernstig) kreupel was en dat meerdere runderen de klauwaandoening Mortellaro hadden. U dient de klauwen van uw rundvee tijdig en op de juiste wijze te verzorgen.
Ontwerp/onderhoud behuizing
Tijden de controle van 4 november 2015 is geconstateerd dat diverse spijlen van de ijzeren roostervloer ontbraken. De melkkoeien stonden tijdens het melken twee keer per dag op deze kapotte roosters, waardoor de klauwen beschadigd konden raken. In de jongveestal bij de oudste groep jongvee waren de zelfsluithekken van het voerhek verwijderd. De ring waarmee het zelfsluithek was bevestigd, was onvoldoende weggeslepen. Dit heeft kale en dikke plekken op de schouders van de aanwezige runderen veroorzaakt.
Tijdens de hercontrole van 16 december 2015 is geconstateerd dat in stal 2, afdeling 1, onder de afscheidingsbuis een sjorband was bevestigd, waardoor de jonge runderen minder makkelijk konden uitbreken. Alle jonge runderen hadden kale plekken door de sjorband en het reiken naar ruwvoer, dat vaak niet genoeg was aangeschoven. In dezelfde afdeling was een afscheidingsbuis niet goed bevestigd. De plukken haar van runderen hingen aan de buis. De aanwezige runderen konden de huid hieraan openhalen. Tevens zaten in stal 5 in het derde hok de stekkerdozen en de elektrische bekabeling zo laag dat de aanwezige jonge runderen er met hun bek bij konden komen. Hieraan konden de dieren zich ernstig verwonden.
(…)
Herhalingen
Uit artikel 39, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 640/2014 volgt dat, indien herhaalde niet-nalevingen zijn geconstateerd, bij de eerste herhaling het vóór de herhaalde niet-naleving vastgestelde percentage wordt vermenigvuldigd met de factor drie.
In uw geval is er sprake van herhaalde niet-nalevingen van:
(…)
• de verplichting dieren die ziek of gewond lijken, onmiddellijk op passende wijze te verzorgen of een dierenarts te raadplegen, Aangezien de niet-naleving van deze verplichting op 28 mei 2014, 21 augustus 2014, 5 februari 2015, 3 juni 2015, 4 november 2015 en 16 december 2015 is geconstateerd, is er sprake van vijf herhalingen. In 2014 is u voor dit onderdeel een korting van 15% opgelegd.
Bij brief van 16 april 2015 bent u erop gewezen dat een volgende herhaling automatisch wordt gezien als een opzettelijke niet-naleving. Nadien heeft u de verplichting nog driemaal niet nageleefd. Gelet op artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB stel ik de korting voor deze overtreding daarom vast op 40% (in plaats van de eerder opgelegde 50%);
• de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden. Aangezien de niet-naleving van deze verplichting op 21 augustus 2014, 4 november 2015 en 16 december 2015 is geconstateerd, is er sprake van twee herhalingen. In 2014 is u voor dit onderdeel een korting van 3% opgelegd.
Het vorenstaande resulteert in een korting van 27% (3% x 3 x 3). Gelet op artikel 39, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 640/2014 is hier het maximum van 15% van toepassing. Een volgende herhaling zal worden gezien als een opzettelijke niet-naleving;
(…)
Rekenregels
Alle genoemde verplichtingen behoren tot het randvoorwaardenterrein dierenwelzijn.
Uit artikel 73, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 volgt dat meerdere niet-nalevingen binnen hetzelfde randvoorwaardenterrein als één geval van niet-naleving worden beschouwd. De hoogste korting wordt toegepast.
Uit artikel 74, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 volgt dat bij een herhaalde niet-naleving in combinatie met andere niet-nalevingen, de kortingspercentages worden opgeteld (ook als deze tot hetzelfde randvoorwaardenterrein behoren), tot een maximum van 15%. Uitzondering hierop is wanneer een niet-naleving als opzettelijk is beoordeeld, zoals hier het geval is. In dat geval worden de bepaalde kortingspercentages voor herhaalde niet-nalevingen bij elkaar opgeteld.
Ik merk op dat in het bestreden besluit de standaard niet-nalevingen (5%) onterecht bij de herhaalde niet-nalevingen (15%) zijn opgeteld.
Bovenstaande resulteert erin dat ik u een randvoorwaardenkorting opleg van (15% + 40% =) 55%.
(…)”
3. Het College overweegt als volgt.
3.1
Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 1306/2013 verwijst naar artikel 4 van Pro Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. Deze beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 13.6 (waarin wordt verwezen naar artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, en artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit houders van dieren (Besluit)) en punt 13.13 bij de Uitvoeringsregeling (waarin wordt verwezen naar artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit).
3.2
Artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, en artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit, in samenhang gelezen, zien op de verplichting dat degene die een dier houdt, ervoor zorg draagt dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd en dat wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts dient te worden geraadpleegd.
3.3
Artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit bevat de verplichting dat behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en dat deze geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden.
4. Appellante betwist dat zij de onder 1.9 genoemde verplichtingen niet goed heeft nageleefd en voert hiertoe een verklaring van klauwverzorger [naam 4] gedateerd 21 april 2015 (verklaring klauwverzorger), een bedrijfsoverzicht “KlauwGezondheid” van een bezoek van 9 februari 2015 (bedrijfsoverzicht Klauwgezondheid) en een tweetal visiteformulieren van veearts [naam 5] (visiteformulieren), gedateerd 8 februari 2016 en 10 december 2015 aan. Ter zitting van het College heeft appellante gesteld dat de toestand op haar bedrijf veel beter is dan het beeld dat in de rapporten wordt geschetst.
4.1
Naar het oordeel van het College geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een toezichtsrapport en de daarin vermelde bevindingen. Indien die bevindingen evenwel gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van
19 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:124). De door appellante ter onderbouwing van overgelegde verklaring van de klauwverzorger, het bedrijfsoverzicht KlauwGezondheid en de twee visiteformulieren van de dierenarts leveren naar het oordeel van het College echter onvoldoende grond op voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in de rapporten. Daarbij komt dat zij vooral algemeen van aard zijn waartegenover gedetailleerde bevindingen in de rapporten staan die zijn opgemaakt naar aanleiding van vijf controles in 2015. Verweerder mocht de rapporten dus aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Van de door appellante gestelde vooringenomenheid van de toezichthouders en dierenarts van de NVWA is het College niet gebleken.
5. Voor zover appellante opkomt tegen de constatering van verweerder dat zij de verplichting dieren die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze te verzorgen of een dierenarts te raadplegen niet heeft nageleefd, overweegt het College als volgt.
5.1
Zoals hiervoor onder 4.2 overwogen mocht verweerder de rapporten aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Op grond van de rapporten ter zake van de controles van 5 februari 2015, 3 juni 2015, 4 november 2016 en 16 december 2015 heeft verweerder terecht geconstateerd dat appellante artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, in samenhang gelezen met artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit op die dagen niet heeft nageleefd.
5.2
Verweerder is op grond van artikel 97, eerste lid, van Verordening 1306/2013 in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) gehouden om voor de door verweerder op
5 februari 2015 geconstateerde niet-naleving een randvoorwaardenkorting van in de regel 3% vast te stellen. Tussen partijen is niet in geschil dat op 28 mei 2014 en 21 augustus 2014 eenzelfde niet-naleving is geconstateerd en dat verweerder daarvoor aan appellante voor het jaar 2014 een randvoorwaardenkorting van 15% heeft opgelegd. Bij brief van 16 april 2015 heeft verweerder appellante medegedeeld dat, nu het maximum van 15% uit herhaling is bereikt, als deze voorwaarde nogmaals wordt overtreden, wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen, heeft appellante nadien diezelfde verplichting nog driemaal niet nageleefd. Verweerder heeft dan ook op grond van artikel 40 van Pro Verordening 640/2014, in samenhang gelezen met artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregel, de randvoorwaardenkorting voor de niet-nalevingen van deze verplichting mogen vaststellen op 40%.
6. Appellante kan zich voorts niet vinden in de door verweerder opgelegde randvoorwaardenkorting voor de herhaalde niet-naleving van de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden. Zij voert daarbij aan dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel om constateringen binnen een zeer kort tijdsbestek, namelijk
4 november 2015 en 16 december 2015, te bestempelen als ‘herhaling’.
6.1
Het College ziet zich hier allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van een herhaalde niet-naleving. Dat is van belang voor de hoogte van de korting. Ingevolge artikel 39, vierde lid, van Verordening 640/2014 wordt de verlaging die voor een niet-naleving overeenkomstig het eerste lid is toegepast, bij de eerste herhaling van dezelfde niet-naleving vermenigvuldigd met de factor drie. Bij verdere herhalingen wordt de vermenigvuldigingsfactor drie telkens toegepast op het resultaat van de verlaging die voor de voorgaande herhaling is vastgesteld. De verlaging bedraagt echter maximaal 15 % van het in het eerste lid bedoelde totale bedrag. In artikel 38, eerste lid, van Verordening 640/2014 is bepaald wat onder een herhaling van een niet-naleving wordt verstaan. Het gaat om een meer dan eenmaal binnen een periode van drie opeenvolgende kalenderjaren geconstateerde niet-naleving van dezelfde eis of norm, mits de begunstigde in kennis is gesteld en, naargelang van het geval, de mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te beëindigen. Dit betekent dat eerst moet worden vastgesteld dat er een eerdere overtreding van dezelfde bepaling is geweest. Daarna dient te worden bezien of is voldaan aan de andere criteria (zie de uitspraak van het College van 30 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:44, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:272).
6.2
Vast staat dat er op 21 augustus 2014 een controle is geweest, dat toen een overtreding van dezelfde randvoorwaarde is geconstateerd en dat deze overtreding aan appellante is medegedeeld. Daarvoor heeft verweerder bij besluit van 16 april 2015 een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in 2014. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante op
4 november 2015 en 16 december 2015 dezelfde verplichting niet heeft nageleefd. Verweerder heeft deze niet-nalevingen aan appellante medegedeeld. Het College begrijpt de beroepsgrond van appellante zo dat er van herhaling in geval van de niet-naleving op 16 december 2015 geen sprake kan zijn, nu er een dusdanig kort tijdsbestek zat tussen de constateringen op 4 november 2015 en 16 december 2015 dat appellante de mogelijkheid niet heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te beëindigen. Dit wel van haar verwachten zou, zo stelt appellante, onevenredig zijn nu het in een dusdanig kort tijdsbestek onmogelijk is om kostbare veranderingen volledig rond te krijgen. Het College stelt vast dat appellante haar stelling dat zij onvoldoende mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om de eerdere niet-naleving te beëindigen en dat het in haar concrete geval om kostbare veranderingen gaat niet heeft onderbouwd. Appellante heeft hiermee onvoldoende weerlegd dat zij voldoende mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om de eerdere niet-naleving te beëindigen. Verweerder heeft aldus terecht geconcludeerd dat er ten aanzien van de geconstateerde niet-naleving van 16 december 2015 is voldaan aan artikel 38, eerste lid, van Verordening 640/2014.
6.3
Hieruit volgt dat ten aanzien van de niet-naleving van de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden in deze zaak sprake is van herhaalde niet-naleving in de zin van artikel 38, eerste lid van Verordening 640/2014, waarvoor verweerder op grond van artikel 39, eerste en vierde lid, van diezelfde Verordening aan appellante terecht een korting van 15% heeft opgelegd.
7. Tot slot kan appellante zich niet vinden in het feit dat verweerder de randvoorwaardenkorting heeft opgelegd voor heel het jaar 2015. Waarom het gehele jaar 2015 als uitgangspunt dient te worden genomen, wordt door verweerder niet aannemelijk gemaakt.
7.1
In artikel 99, eerste lid, van Verordening 1306/2013 is opgenomen dat de in artikel 91 bedoelde Pro administratieve sanctie wordt opgelegd in de vorm van een verlaging of uitsluiting van het totale bedrag van de in artikel 92 bedoelde Pro betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen die hij in het kalenderjaar van de constatering van de niet-naleving heeft ingediend of zal indienen. Hieruit volgt reeds dat de korting over een heel kalenderjaar dient te worden opgelegd.
7.2
Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 6 juni 2018 in zaak C-667/16 (ECLI:EU:C:2018:394) vragen van het College aldus beantwoord dat als meerdere gevallen van niet-naleving zijn geconstateerd die tot eenzelfde terrein behoren, de verlaging voor niet-naleving door nalatigheid en de verlaging voor opzettelijke niet-naleving bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij moet het totale bedrag van de verlagingen voor een kalenderjaar aan het evenredigheidsbeginsel voldoen en mag het niet meer bedragen dan het totaalbedrag (destijds) bepaald in artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers. In dit geval is verweerder tot de randvoorwaardenkorting van 55% gekomen door de korting van 40% vanwege opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden op te tellen bij de korting van 15% voor herhaalde niet-naleving van randvoorwaarden. Dit is in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 6 juni 2018. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat de aldus door verweerder vastgestelde randvoorwaardenkorting van 55% in het geval van appellante onevenredig is.
8. Nu deze korting naar aanleiding van de niet-nalevingen van de verplichting dieren die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze te verzorgen of een dierenarts te raadplegen en de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden al overeenkomt met de door verweerder vastgestelde randvoorwaardenkorting van 55%, behoeft hetgeen appellante heeft aangevoerd tegen de door verweerder geconstateerde niet-nalevingen van de andere onder 1.9 genoemde randvoorwaarden geen bespreking meer. Voor zover verweerder in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen over het (herhaaldelijk) overtreden van die andere randvoorwaarden en dat standpunt aan nieuwe besluitvorming ten grondslag legt, kan appellante daartegen alsdan een rechtsmiddel aanwenden (zie de uitspraak van het College van 29 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:276).
9. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.L. van der Beek en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.
w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret