Appellante betwistte de vaststelling van haar fosfaatrecht door verweerder, omdat zij meent dat de melkproductie in 2015 hoger was dan door verweerder vastgesteld. Verweerder baseerde het fosfaatrecht op een melkproductie van 744.641 kg en een gemiddelde melkproductie per koe van 6.895 kg, terwijl appellante een hogere productie van 811.601 kg claimde, mede gebaseerd op melk die aan kalveren werd vervoederd en melk die werd vernietigd om superheffing te voorkomen.
Het College oordeelde dat het rollend jaargemiddelde van 7.515 kg per koe, zoals vermeld in de melkproductieregistratie (mpr), slechts een indicatie is en niet gelijk kan worden gesteld aan de feitelijke gemiddelde melkproductie. Appellante kon onvoldoende bewijs leveren voor de vernietigde melkproductie. Verweerder erkende echter dat de vervoederde melk van 38.325 kg aannemelijk was en paste het fosfaatrecht daarop aan.
Het College verklaarde het beroep gegrond wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op 6.495 kg. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante ten bedrage van €1.024,-. Het griffierecht van €338,- wordt door verweerder aan appellante vergoed.