ECLI:NL:CBB:2019:198
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen grondgebondenheid voor fosfaatrechten vanwege overloopparkeerterrein
Appellante, een landbouwonderneming, betwistte het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld met een generieke korting wegens vermeende niet-grondgebondenheid. De discussie draaide om 14 percelen grasland die eigendom zijn van een derde partij en incidenteel als overloopparkeerterrein voor een pretpark worden gebruikt.
Appellante voerde aan dat zij deze percelen bewerkt en dat zij tot haar bedrijf behoren, ondanks beperkingen in het gebruik en de beschikkingsmacht die formeel bij de eigenaar ligt. Het College stelde vast dat de overeenkomst tussen appellante en de eigenaar duidelijk de beschikkingsmacht bij de eigenaar legt en dat de hoofdfunctie van de percelen als overloopparkeerterrein beperkingen oplegt die grondgebruik voor landbouw doorkruisen.
De door appellante overgelegde verklaring en factuur konden niet overtuigend aantonen dat de werkelijke rechtsbetrekking anders was dan contractueel vastgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en de generieke korting op het fosfaatrecht bleef van toepassing.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de generieke korting op het fosfaatrecht blijft van toepassing.