ECLI:NL:CBB:2020:813
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. Pavićević
- J.A.M. van den Berk
- D. Brugman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling melkveefosfaatreferentie en landbouwgrondbegrip bij pacht van luchthavenpercelen
Appellant exploiteert een melkveehouderij en had in 2013 percelen grasland gepacht van een luchthaven. Verweerder stelde bij besluit de melkveefosfaatreferentie (MVFR) vast zonder deze percelen mee te rekenen, omdat deze volgens hem geen landbouwgrond in de zin van de Meststoffenwet (Msw) zijn. De percelen liggen op luchthavengebied met de bestemming luchtvaartdoeleinden en zijn onderworpen aan strikte gebruiksbeperkingen uit de pachtovereenkomst, waaronder prioriteit van luchthavenbelangen, meldplicht voor werkzaamheden, beperkte bemesting en maaiperioden, en ontbindingsmogelijkheden door de luchthaven.
Appellant stelde dat hij de percelen feitelijk gebruikte voor graswinning en bemesting, dat hij teelt- en bemestingsplannen op elkaar afstemde en dat de beperkingen geen belemmering vormden. Hij verwees ook naar het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en eerdere jurisprudentie. Het College overwoog dat de feitelijke beschikkingsmacht centraal staat, waarbij de pachtovereenkomst en de praktische beperkingen maken dat appellant niet zelfstandig over de percelen kon beschikken. De luchthavenbelangen en veiligheidsvoorschriften beperkten de samenhang van teelt- en bemestingsplannen.
Het College verwierp het beroep en oordeelde dat de percelen terecht buiten beschouwing zijn gelaten bij de vaststelling van de MVFR 2013. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat een eerdere fout bij een ander bedrijf geen reden is om die te herhalen. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de melkveefosfaatreferentie is ongegrond verklaard omdat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de gepachte percelen.