Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2019 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. J.R. Vermeulen),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of appellant de integrale kosten van het verhuren van ligplaatsen in boxen in rekening heeft gebracht, zoals vereist op grond van de Wet markt en overheid. ACM had vastgesteld dat appellant niet alle kosten, met name die van de haveninfrastructuur, volledig doorberekende. De rechtbank Rotterdam had dit oordeel bevestigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de haveninfrastructuur een publiek goed is en geen productiemiddel voor de economische activiteit van ligplaatsenverhuur, waardoor de kosten niet toegerekend mogen worden. Ook stelde appellant dat ACM het vermogenskostenpercentage onjuist had vastgesteld en dat sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op reformatio in peius.
Het College oordeelde dat de haveninfrastructuur, hoewel ook een publieke functie vervullend, mede als productiemiddel dient te worden aangemerkt omdat de ligplaatsen zonder die infrastructuur niet geëxploiteerd kunnen worden. De toegepaste toerekening van 50% van de kosten aan havenactiviteiten is redelijk en niet onderbouwd betwist door appellant. Het vermogenskostenpercentage van 10,5% is juist afgeleid uit een taxatierapport en sluit aan bij de risico's van de exploitatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van reformatio in peius faalt eveneens. Ook is geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen aan ACM te wijten onrechtmatigheid is vastgesteld.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.