Uitspraak
Datum uitspraak: 18 december 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
SIPOR
voorzitter griffier
Raad van State
De zaak betreft het geschil over de vaststelling van leerlinggewichten van leerlingen van drie islamitische basisscholen onder bevoegd gezag SIPOR, op basis van de gewichtenregeling in het kader van de Wet op het primair onderwijs (WPO). De minister had bij besluit van 5 september 2017 de leerlinggewichten herzien, waarna SIPOR bezwaar maakte tegen 76 vaststellingen. Na gedeeltelijke afwijzing door de minister volgde beroep bij de rechtbank Rotterdam, die het besluit deels vernietigde en de minister opdroeg nieuwe beslissingen te nemen voor enkele leerlingen.
De kern van het geschil betreft de juiste toepassing van de regelgeving omtrent de ouderverklaringen die het opleidingsniveau van ouders moeten vaststellen, hetgeen bepalend is voor het leerlinggewicht. SIPOR stelde dat strengere maatstaven werden gehanteerd dan op de peildatum 1 oktober 2014 van toepassing waren en dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om aanvullende informatie te leveren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de regelgeving en de interpretatie daarvan door de minister en rechtbank juist waren, dat de ouderverklaringen voldoende gegevens moesten bevatten om het opleidingsniveau vast te stellen, en dat SIPOR voldoende gelegenheid had gehad om informatie aan te leveren. Het hoger beroep van SIPOR en het incidenteel hoger beroep van de minister werden ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige en volledige administratie van leerlinggegevens en ouderverklaringen voor de bekostiging van scholen.
Uitkomst: Het hoger beroep van SIPOR en het incidenteel hoger beroep van de minister worden ongegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2018 bevestigd.