Appellant, een openbaar accountant, stelde in opdracht van de ex-echtgenote van klager accountantsmededelingen op in het kader van een echtscheidingsprocedure. De mededelingen betroffen de kosten van de huishouding over een bepaalde periode, waarbij een bedrag van €20.750 als onderdeel van de waarborgsom voor de aankoop van de echtelijke woning werd meegenomen.
De accountantskamer verklaarde de klacht gegrond dat appellant onvoldoende expliciete toelichting gaf op de interpretatie van het begrip 'kosten van de huishouding', waardoor de waarheidsvinding door de rechter werd belemmerd. Tevens werd een berisping opgelegd wegens schending van het vakbekwaamheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en het integriteitsbeginsel.
In hoger beroep stelde appellant dat de mededeling niet onjuist was en dat de herziene mededeling 2017 voldoende toelichting gaf. Het College oordeelde echter dat de toelichting onvoldoende was en dat appellant zijn interpretatie duidelijk had moeten expliciteren. Wel werd geoordeeld dat het verwijt van schending van het integriteitsbeginsel onterecht was, omdat de mededeling 2017 ook aan klager was toegezonden.
Het College vernietigde daarom het oordeel over het integriteitsbeginsel en de berisping en legde in plaats daarvan een waarschuwing op. Hiermee werd het hoger beroep deels gegrond verklaard en de maatregel verzacht.