Appellante exploiteert een melkveebedrijf en had het fosfaatrecht vastgesteld gekregen op 8.456 kg. Na bezwaar en beroep heeft verweerder appellante alsnog erkend als knelgeval vanwege een dierziekte die de melkproductie in 2014 negatief beïnvloedde, waardoor het fosfaatrecht verhoogd moest worden naar 8.910 kg.
Appellante voerde aan dat het bestreden besluit een onaanvaardbare inbreuk maakte op haar eigendomsrecht, omdat zij voorafgaand aan de vergunning onomkeerbare investeringen had gedaan. Het College overwoog dat het recht op eigendom niet absoluut is en dat regulering in het algemeen belang is toegestaan. Omdat appellante pas in 2016 de vereiste Nbw-vergunning ontving, liep zij vooruit op de vergunning bij haar investeringen.
Het College concludeerde dat er geen sprake was van een individuele en buitensporige last. De uitbreiding was na invoering van het fosfaatrechtenstelsel mogelijk geworden en de risico’s van de investeringen waren bewust aanvaard. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het fosfaatrecht vastgesteld op 8.910 kg. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.