ECLI:NL:CBB:2019:428
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
College van Beroep verklaart beroep ongegrond inzake fosfaatrechten en grondgebondenheid
Appellante betwistte de toepassing van een generieke korting van 8,3% op haar fosfaatrecht en voerde aan dat haar Belgische landbouwgrond meegeteld moest worden voor de grondgebondenheid. Tevens stelde zij dat het fosfaatrechtenstelsel een onevenredige last opleverde en haar eigendomsrecht schond. Verweerder stelde dat alleen Nederlandse landbouwgrond meetelt en dat het stelsel verenigbaar is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het College overwoog dat de wettelijke grondslag ontbreekt voor het meenemen van Belgische landbouwgrond bij de berekening van het fosfaatrecht. De deelname aan de Grensboerenregeling betreft alleen mestverwerking en niet de fosfaatrechtentoekenning. Het beroep op schending van het eigendomsrecht werd verworpen omdat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het EVRM en de individuele last niet buitensporig is.
Verder oordeelde het College dat appellante geen vergunningen had voor de beoogde uitbreiding op de peildatum en dat de investeringen vooruitliepen op deze vergunningen. De keuze om de veestapel geleidelijk te laten groeien kwam voor haar rekening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.