ECLI:NL:CBB:2019:465

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 oktober 2019
Publicatiedatum
27 september 2019
Zaaknummer
18/1279
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbRegeling GLB-inkomenssteun 2006
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herziening bedrijfstoeslag 2012 wegens verkeerd perceel afgewezen

Appellante had de bedrijfstoeslag 2012 aangevraagd, maar verweerder stelde deze aanvankelijk op nihil vast vanwege onjuiste opgave van percelen. Na bezwaar en beroep vernietigde het College het eerdere besluit en gaf verweerder opdracht tot herziening. Bij het bestreden besluit kende verweerder appellante een deel van de toeslag toe, maar handhaafde dat percelen 17 tot en met 21 niet tot haar bedrijf behoorden en dat de oppervlakte van perceel 8 correct was vastgesteld.

Appellante voerde in beroep aan dat zij de percelen wel in beheer had en dat perceel 8 onterecht was gecorrigeerd. Het College oordeelde dat het beroep ten aanzien van perceel 8 niet slaagt vanwege onduidelijkheid en gebrek aan bewijs. Ten aanzien van de percelen 17 tot en met 21 kon het College niet afwijken van de eerdere uitspraak zonder nieuwe feiten of omstandigheden, die appellante niet had aangevoerd.

Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om herziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de eerdere standpunten over de bedrijfstoeslag en de percelen, waarbij het principiële bezwaar van appellante niet tot een andere uitkomst leidde.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit over de bedrijfstoeslag 2012 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3], te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2012 (bedrijfstoeslag 2012) op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.
Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van het College van 3 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:182) is het besluit van 11 december 2014 vernietigd, waarbij verweerder is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Bij besluit van 29 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de kant van appellante is tevens verschenen de heer [naam 1] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Appellante heeft met de Gecombineerde opgave 2012 uitbetaling van haar toeslagrechten voor het jaar 2012 aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2012 van appellante vastgesteld op nihil.
1.3
Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij het College. In deze beroepsprocedure heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij de percelen 17 tot en met 21 in beheer had, zij niet opzettelijk een onjuiste opgave heeft gedaan door de percelen 17 tot en met 21 op te geven voor de uitbetaling van haar toeslagrechten en dat de oppervlaktes van de percelen 7 en 8 onjuist zijn vastgesteld.
1.4
Bij uitspraak van 3 april 2018 heeft het College geoordeeld dat appellante de percelen 17 tot en met 21 niet in beheer heeft gehad in het jaar 2012 en dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een opzettelijk onjuiste opgave van appellante. Het College heeft het besluit van 11 december 2014 vernietigd en heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het bestreden besluit zijn besluit van 11 december 2014 herzien.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan appellante een bedrag toegekend voor de bedrijfstoeslag 2012. Verweerder heeft hieraan, met inachtneming van de voornoemde uitspraak van het College, ten grondslag gelegd dat appellante geen opzettelijk onjuiste opgave heeft ingediend, waardoor de aan appellante opgelegde korting gedeeltelijk is komen te vervallen. Ten aanzien van de percelen 17 tot en met 21 heeft verweerder gesteld dat het College heeft bevestigd dat deze percelen in 2012 niet tot het bedrijf van appellante behoorden. Verweerder heeft de bezwaren van appellante voor wat betreft deze percelen dan ook afgewezen. Met betrekking tot – voor zover in beroep van belang – de oppervlakte van perceel 8 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze oppervlakte juist is vastgesteld. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat appellante de oppervlakte van dit perceel tijdens de beroepsprocedure waarop de uitspraak van 3 april 2018 zag niet meer heeft betwist.
3. In beroep voert appellante aan dat zij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit. Met betrekking tot perceel 8 stelt appellante zich op het standpunt dat dit perceel correct is opgegeven. De discussie ziet volgens appellante op een klein gedeelte van het perceel dat niet bemonsterd zou zijn. Echter, naar het oordeel van appellante is er sprake van een misverstand, althans er is geen reden om perceel 8 te corrigeren op de wijze zoals verweerder dat heeft gedaan. Voorts is appellante zich ervan bewust dat het College ten aanzien van de percelen 17 tot en met 21 uitspraak heeft gedaan en dat haar beroepsgronden op dit aspect zijn verworpen. Voor appellante is en blijft deze uitkomst echter onbevredigend en blijft dit een principieel punt. Appellante is van mening dat zij de percelen wel degelijk in beheer heeft gehad. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. Met betrekking tot perceel 8 overweegt het College als volgt. Ter zitting is gebleken dat, als gevolg van miscommunicatie tussen appellante en haar gemachtigde, het beroep betrekking heeft op een ander perceel dan appellante voor ogen heeft gehad. Appellante heeft ter zitting niet inzichtelijk kunnen maken om welk perceel het had moeten gaan en of de geformuleerde beroepsgronden juist zijn. Dit alles heeft tot gevolg dat de argumenten die appellante heeft aangevoerd ten aanzien van perceel 8 geen doel treffen. Deze beroepsgrond van appellante slaagt niet.
5. Voor wat betreft de percelen 17 tot en met 21 geldt dat het College in zijn uitspraak van 3 april 2018 heeft geoordeeld dat deze percelen in het jaar 2012 niet tot het bedrijf van appellante behoorden. Het College kan enkel terugkomen op deze uitspraak indien appellante, onder aanvoering van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om een herziening verzoekt. In dat geval zal het College moeten beoordelen of van dergelijke feiten en omstandigheden sprake is. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij niet heeft bedoeld om een herziening te verzoeken. Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden. Appellante heeft verduidelijkt dat het voor haar gaat om een principieel punt. Nu appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb heeft aangevoerd, bestaat reeds hierom geen reden om te beoordelen of er aanleiding bestaat voor een herziening van de uitspraak van 3 april 2018. De beroepsgrond van appellante slaagt niet.
6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.
w.g. J.A.M. van den Berk w.g. C.H.R. Mattheussens