ECLI:NL:CBB:2019:531
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en startersregeling voor biologisch melkveebedrijf
Appellante, een biologisch melkveebedrijf opgericht in 2015, betwistte het door de minister vastgestelde fosfaatrecht en de afwijzing van haar bezwaar. Zij voerde aan dat zij als startend bedrijf in aanmerking zou moeten komen voor de startersregeling en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en leidt tot een individuele en buitensporige last.
Het College oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van de startersregeling omdat de productie van melk reeds voor 2014 was gestart en dat de omschakeling naar biologische bedrijfsvoering geen uitzondering vormt. Daarnaast werd geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op eigendom en dat biologische bedrijven niet zijn vrijgesteld van het stelsel.
Ten aanzien van de individuele last stelde het College vast dat appellante op de peildatum niet beschikte over de benodigde vergunningen voor de beoogde omvang van haar veestapel en dat investeringen na die datum voor haar eigen risico waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.