ECLI:NL:CBB:2019:532
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen fosfaatrecht vaststelling en proceskostenvergoeding
Appellante, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het vastgestelde fosfaatrecht, stellende dat de dieraantallen te laag waren vastgesteld en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schond. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld en later verhoogd na bezwaar en wijzigingsbesluit. Het College oordeelde dat de nieuwe dieraantallen juist waren vastgesteld op basis van het I&R-systeem en dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College stelde vast dat appellante vooruitliep op de benodigde vergunningen voor de volledige uitbreiding van haar bedrijf en dat de investeringen een forse groei van 100 naar 520 melkkoeien betroffen. Verder ontbraken stukken over de door appellante gestelde dierziekte, waardoor geen oordeel kon worden gegeven over de impact daarvan. Ook werd de financiële rapportage onvoldoende onderbouwd geacht.
Het beroep werd gegrond verklaard vanwege de onvoldoende vergoeding van de deskundigenkosten in bezwaar. Het College veroordeelde verweerder tot betaling van de volledige kosten in bezwaar en proceskosten in beroep, maar wees het verzoek om schadevergoeding af. Het vonnis werd op 29 oktober 2019 uitgesproken door mr. T.L. Fernig-Rocour.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege onvoldoende vergoeding van kosten in bezwaar, maar het beroep op schending eigendomsrecht wordt afgewezen.