ECLI:NL:CBB:2019:542

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
18/734
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens ontbreken tegemoetkomen bestuursorgaan

Verzoekster, een maatschap, stelde beroep in tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin bezwaar tegen toegekend fosfaatrecht ongegrond werd verklaard. Na herziening van het besluit bleef het bezwaar ongegrond, waarna verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

Het College oordeelde dat op grond van artikel 8:75a Awb alleen bij intrekking van het beroep wegens geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door het bestuursorgaan proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Omdat het bestuursorgaan in het herzieningsbesluit de bezwaren wederom ongegrond verklaarde, was er geen tegemoetkomen.

Daarom wees het College het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. M. van Duuren, met mr. F. Willems als griffier, op 29 oktober 2019.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het door verweerder aan verzoekster toegekende hoeveelheid fosfaatrecht ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 april 2019 heeft verweerder het bestreden besluit herzien waarbij alsnog inhoudelijk is ingegaan op de door verzoekster gestelde individuele buitensporige last.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.
Bij brief van 26 juni 2019 is verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
Nadat partijen binnen de gestelde termijn niet hebben laten weten over het verzoek om een proceskostenveroordeling ter zitting te willen worden gehoord, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld.
2. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2004 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5770).
3. Nu verweerder in het besluit van 1 april 2019 de bezwaren van verzoekster wederom ongegrond heeft verklaard, is volgens het College geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

Het College wijst af het verzoek om een proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.
w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems