Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2019 in de zaak tussen
de Stichting Reinier de Graaf Groep, te Delft, appellante,
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Bij de wijzigingsbeslissing van 21 februari 2019 heeft verweerster, na een gewijzigde renteberekening, opnieuw geoordeeld dat geen sprake is van onevenredig nadeel voor appellante, zodat er geen aanleiding is om op grond van bijzondere omstandigheden van de beleidsregel af te wijken. Om te kunnen overgaan tot de berekening van het nadeel dat appellante mogelijk als gevolg van de keuze voor de vereenvoudigde systematiek heeft geleden, heeft verweerster appellante verzocht om rentenormeringsbalansen over de betreffende jaren aan te leveren. Verweerster heeft die balansen, na het toepassen van een aantal correcties, gebruikt als uitgangspunt voor de berekening van de rentevergoeding die appellante zou hebben ontvangen als zij niet in afwijking van de aanwijzingen van de minister had gekozen voor een grofmazig, eenvoudig systeem. Verweerster stelt in dit verband dat het niet mogelijk is om de rentevergoeding, die appellante zou hebben ontvangen, exact te berekenen, omdat een model naar de letter van de aanwijzing nooit volledig is uitgewerkt. Verweerster heeft daarom aan de hand van verschillende mogelijke beleidskeuzes die gemaakt hadden kunnen worden diverse berekeningen gemaakt. Al die berekeningen leiden
– aldus verweerster – tot de conclusie dat aan appellante, als de garantieregeling naar de letter van de aanwijzing was uitgevoerd, geen suppletiebedragen zouden zijn toegekend. Dit leidt verweerster tevens tot de conclusie dat geen sprake is van onevenredig nadeel voor appellante.
Verweerster heeft daarop gesteld dat onderscheid gemaakt dient te worden tussen de garantieregeling en de daarop gevolgde nadeelberekening. In het kader van de garantieregeling is het financieringsvolume inderdaad gefixeerd op de situatie in 2012 en is nieuwe bouwrente niet meegenomen. Verweerster stelt dat de bouwrente wel volledig is betrokken bij de berekening van het nadeel voor het jaar 2015 .
Verweerster heeft in reactie daarop betoogd dat de door appellante genoemde rentepercentages voor de berekening van de kapitaallasten van 2,01% (2015) en 1,81% (2016) slechts zijn gebruikt in het kader van de garantieregeling. Bij de nadeelberekening heeft verweerster de rentevergoeding onder de rentenormeringsbalans berekend, zoals zij zou hebben gedaan als de oude budgetbekostiging nog van toepassing zou zijn en met inachtneming van de aanwijzingen van de minister. Verweerster wijst erop dat de vergoeding voor kapitaallasten onder de rentenormeringsbalans niet op basis van de werkelijke rentekosten werd bepaald. De wijze waarop onder de oude bekostigingssystematiek de rentenormeringsbalans werd vastgesteld staat in de onderhavige procedure echter niet ter discussie, aldus verweerster.
Voorts heeft appellante met betrekking tot haar derde punt ter zitting betoogd dat verweerster de opbrengst die zij geacht wordt aan te wenden ter dekking van de kapitaallasten heeft berekend aan de hand van een percentage van 7,9 of 8%. In verband met haar hoge kapitaallasten heeft appellante een aanvullende vergoeding van de zorgverzekeraars ontvangen doch daarmee bedraagt de vergoeding die appellante in werkelijkheid uit haar omzet voor kapitaallasten verkrijgt, zoals door haar berekend, 6,86% (2015) respectievelijk 7,24% (2016). Verweerster heeft volgens appellante bij de nadeelberekening de kapitaallasten berekend aan de hand van een rentepercentage dat circa 1% te laag is en tevens de opbrengsten berekend aan de hand van een rentepercentage dat circa 1% te hoog is. Dat verschil van circa 2%, op een totale activa van € 140 miljoen, is een aanzienlijk nadeel, aldus appellante.