ECLI:NL:CBB:2019:61
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij bezwaar tegen officiële inbewaringneming vlees na faillissement
Appellant, curator in het faillissement van een vleesverwerkend bedrijf, maakte bezwaar tegen besluiten van de minister van Landbouw tot officiële inbewaringneming van vleespartijen die eerder in beslag waren genomen in een strafrechtelijk onderzoek. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven had in een eerdere uitspraak van 30 januari 2017 de besluiten vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen.
Verweerder heeft vervolgens besloten de inbewaringneming van een deel van het vlees op te heffen, maar het verzoek tot vrijgave van de vriesvoorraad afgewezen. Appellant stelde dat hij nog steeds procesbelang had omdat er schade was geleden en verweerder onvoldoende had gemotiveerd. Verweerder stelde dat het procesbelang ontbrak omdat met een besluit van 16 april 2015 al toestemming was verleend om het vlees voor vervoedering te bestemmen.
Het College oordeelde dat het besluit van 16 april 2015 formele rechtskracht heeft en de geconstateerde gebreken reeds heeft hersteld. Bovendien is een deel van het vlees verkocht en het overige vernietigd, waardoor appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan procesbelang.