Appellante, een melkveehouder met een biologisch landbouwbedrijf, betwistte het vastgestelde fosfaatrecht en voerde onder meer aan dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met de Nitraatrichtlijn, ongeoorloofde staatssteun inhoudt, en dat zij een individuele buitensporige last ondervindt door de toepassing van het stelsel. Tevens stelde zij dat de knelgevallenregeling niet correct is toegepast, mede door de bedrijfsverplaatsing en uitbreiding na de peildatum.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is en niet in strijd met de Nitraatrichtlijn of staatssteunregels, verwijzend naar eerdere uitspraken en de goedkeuring van de Europese Commissie. De knelgevallenregeling werd strikt geïnterpreteerd, waarbij niet gerealiseerde uitbreidingen na de peildatum niet in aanmerking worden genomen. Ook werd geoordeeld dat appellante geen nieuw gestart bedrijf is, maar een voortzetting op een nieuwe locatie.
Verder concludeerde het College dat er geen sprake is van een individuele buitensporige last, mede omdat appellante bewust investeringen deed en uitbreidingsplannen voortzette ondanks de aangekondigde productiebeperkingen. Het financiële rapport van appellante werd onvoldoende gemotiveerd bevonden. Wel werd een motiveringsgebrek vastgesteld in het bestreden besluit, maar dit leidde niet tot benadeling van appellante.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante wegens het motiveringsgebrek. Het besluit bevestigt de toepassing van het fosfaatrechtenstelsel en de strikte toepassing van de knelgevallenregeling binnen de wettelijke kaders.