ECLI:NL:CBB:2019:623
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling startersregeling en fosfaatrechtenvaststelling bij melkveebedrijf
Appellante, een melkveehouderij, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar fosfaatrecht en de toepassing van de startersregeling. Zij voerde aan dat zij een nieuw bedrijf was gestart en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast door een individuele en buitensporige last.
Het College stelde vast dat appellante vóór 2014 al melk produceerde en dat het toetreden van een nieuwe maat geen nieuw bedrijf vormt. De startersregeling is strikt bedoeld voor nieuw gestarte bedrijven. Verder concludeerde het College dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat er geen sprake is van een buitensporige last voor appellante.
De door appellante overgelegde begrotingen en financiële stukken boden onvoldoende bewijs voor een buitensporige last, mede omdat zij onvergelijkbare scenario's bevatten en investeringen na de peildatum meerekenen. Het bestreden besluit was aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellante.
Het beroep werd ongegrond verklaard, verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van appellante werden vastgesteld op €1.024,-. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Stam op 26 november 2019.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.