ECLI:NL:CBB:2019:626
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Herziening fosfaatrecht na onjuiste vaststelling en proceskostenveroordeling
Appellante, een melkveehouderij, betwistte het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij voerde aan dat de gemiddelde melkproductie in 2015 niet representatief was, dat zij in aanmerking kwam voor een verhoging wegens ziekte van vennoten, dat zij als starter moest worden aangemerkt en dat zij een individuele en buitensporige last droeg.
Het College oordeelde dat appellante geen starter was en dat het fosfaatrecht terecht was vastgesteld op basis van de situatie op 2 juli 2015. Het beroep op verhoging wegens ziekte werd verworpen omdat alleen de situatie op het moment van intreden van de omstandigheid en op de peildatum wordt vergeleken, niet toekomstige uitbreidingen. Ook was onvoldoende aangetoond dat de melkproductie in 2015 niet representatief was.
Hoewel verweerder erkende dat een kalf ten onrechte niet was meegenomen, wat leidde tot een te laag vastgesteld fosfaatrecht, stelde het College het fosfaatrecht daarom vast op 1.929 kg. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het fosfaatrecht wordt verhoogd naar 1.929 kg en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.