ECLI:NL:CBB:2019:631
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last onder artikel 1 EP
Appellante exploiteert een melkveehouderij en investeerde vóór 2 juli 2015 in uitbreiding van haar bedrijf zonder de vereiste vergunningen. Pas op 9 september 2016 verkreeg zij een Natuurbeschermingswetvergunning voor de uitbreiding van haar veestapel.
Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015, wat leidde tot een tekort aan fosfaatrecht voor appellante. Appellante stelde dat dit een onaanvaardbare inbreuk op haar eigendomsrecht is volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat zij haar bedrijf niet volledig kan benutten.
Het College overweegt dat artikel 1 EP Pro het recht op ongestoord genot van eigendom beschermt, maar ook ruimte laat voor regulering in het algemeen belang. Omdat appellante vooruitliep op de vergunningen met haar investeringen, is er volgens het College geen sprake van een individuele en buitensporige last.
Hoewel verweerder het bezwaar aanvankelijk onvoldoende motiveerde, is dit gebrek gepasseerd omdat in de procedure alsnog een draagkrachtige motivering is gegeven. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.