ECLI:NL:CBB:2019:690
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en proceskostenveroordeling bij uitbreiding melkveebedrijf
Appellante, een melkveehouder, wilde haar veestapel uitbreiden van 86 naar 140 melk- en kalfkoeien en van 73 naar 75 stuks jongvee. Ondanks verleende vergunningen en investeringen liep de uitbreiding vertraging op door een behandelstop bij de provincie. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, met een generieke korting van 8,3%. Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantastte en leidde tot een individuele en buitensporige last, mede door onomkeerbare investeringen en vertraging in vergunningverlening.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. De vertraging in de vergunningverlening behoort tot het ondernemersrisico van appellante, die bovendien al een forse uitbreiding voor ogen had en deels had gerealiseerd. De afvoer van dieren wegens overbezetting was het gevolg van het vooruitlopen op vergunningen, niet van het fosfaatrechtenstelsel.
Het beroepschrift is ongegrond verklaard, maar het College veroordeelt de minister in de proceskosten wegens onvoldoende motivering van het bestreden besluit, dat pas in beroep adequaat werd gemotiveerd. Appellante krijgt het betaalde griffierecht en proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.