Appellante, een melkveehouderij, betwistte de vaststelling van haar fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Zij voerde aan dat zij vanwege ziekte van de ondernemer en muizenschade niet aan de knelgevallenregeling voldeed en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schond. De minister had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de peildatum 2 juli 2015 en een alternatieve peildatum van 1 mei 2014, waarbij een generieke korting van 8,3% werd toegepast.
Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling correct was toegepast, waarbij geen rekening wordt gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen en dat alternatieve peildata vóór de oprichting van het bedrijf niet relevant zijn. De ziekte van de ondernemer en muizenschade vormden geen individuele en buitensporige last die het recht op eigendom schond. Het belang van milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn woog zwaarder dan de belangen van appellante.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond. Het College kende vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten toe aan appellante. De uitspraak werd gedaan door mr. M. van Duuren op 31 december 2019.