Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2019 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] , appellant,
Procesverloop
.De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling 2016 door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het College verklaarde dit beroep op 30 oktober 2018 ongegrond omdat appellant op de peildatum 15 mei 2016 niet beschikte over betalingsrechten.
Appellant voerde in het verzet aan dat hij niet gehoord was in bezwaar en dat zijn persoonlijke omstandigheden en bedrijfsvoering onvoldoende waren meegewogen. Tevens stelde hij dat hij door de intrekking van ooipremies zijn betalingsrechten was kwijtgeraakt en dat de verordening (EU) nr. 1307/2013 in de geest was geschreven van het toekennen van betalingsrechten.
Het College oordeelde dat de minister verplicht was de aanvraag af te wijzen op grond van de genoemde EU-verordening omdat appellant niet aan de voorwaarden voldeed. Er is geen ruimte voor belangenafweging of het betrekken van persoonlijke omstandigheden. Het bezwaar was daarom terecht ongegrond verklaard en appellant is ook in het verzet niet gehoord. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 30 oktober 2018 blijft in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de aanvraag betalingsrechten en vergroeningsbetaling 2016 wordt ongegrond verklaard.