ECLI:NL:CBB:2020:1011

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
21 december 2020
Zaaknummer
19/990
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, derde lid, Meststoffenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en staatssteun fosfaatrechtenstelsel op grond van de Meststoffenwet

Appellante, een melkveehouderij, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Zij voerde aan dat het stelsel van fosfaatrechten onvoldoende grondslag zou vinden in de Nitraatrichtlijn en dat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun.

Het College heeft in lijn met eerdere uitspraken geoordeeld dat deze bezwaren niet slagen. De minister heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de dieraantallen op de peildatum en een generieke korting toegepast. Het College verwijst naar eerdere rechtspraak waarin de rechtmatigheid van het fosfaatrechtenstelsel en de afwezigheid van ongeoorloofde staatssteun zijn bevestigd.

Het beroep is ongegrond verklaard omdat het College geen motiveringsgebrek of onrechtmatigheid in het besluit heeft vastgesteld. Tevens is geen aanleiding gevonden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de geldigheid van het fosfaatrechtenstelsel en de toepassing daarvan op appellante.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/990

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

[naam] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij, waar zij op de peildatum 2 juli 2015, 180 melk- en kalfkoeien en 204 stuks jongvee hield.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 10.767 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Beroepsgronden
4. Appellante voert in beroep, samengevat, aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Deze gronden kunnen, anders dan verweerder meent, bij wege van exceptieve toetsing aan de orde komen. Verweerder is hier, volgens appellante, ten onrechte niet op ingegaan.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel, gelet op de doelstelling van de Nitraatrichtlijn, rechtmatig is. Hij verwijst daartoe naar uitspraken van het College op dit punt. Verweerder bestrijdt voorts dat sprake is van ongeoorloofde staatsteun en verwijst hiertoe naar de goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie van 19 december 2017.
Beoordeling
6. Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615). Verweerder is in het bestreden besluit inhoudelijk op deze grond van appellante ingegaan. Van een motiveringsgebrek is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
7.1
Het beroep is ongegrond.
7.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen