ECLI:NL:CBB:2020:104
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op knelgevallenregeling fosfaatrechten na gezondheids- en bedrijfsproblemen
Appellante, een vennootschap onder firma die een melkveehouderij exploiteert, stelde dat zij recht had op een hogere toekenning van fosfaatrechten vanwege buitengewone omstandigheden zoals het overlijden van een vennoot, dierziekten en vervuild veevoer. Verweerder stelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling, omdat er geen causaal verband was tussen deze omstandigheden en een verlaging van het fosfaatrecht van minimaal vijf procent.
Het College overwoog dat appellante pas na het overlijden van de vader en echtgenoot van de maten was opgericht en geen zeggenschap had in de eerdere eenmanszaak. Daarnaast was onvoldoende bewijs geleverd voor de uitbraak van IBR en de impact daarvan op het fosfaatrecht. Ook de situatie met vervuild veevoer in 2013 leidde niet tot een verlaging van het fosfaatrecht op de peildatum.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het vervangingsbesluit het eerdere besluit verving. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard. Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep op de knelgevallenregeling wordt afgewezen en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond verklaard.