ECLI:NL:CBB:2021:881
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet afgewezen
Appellante, exploitant van een veehouderij met melk- en kalfkoeien, betwistte het door de minister vastgestelde fosfaatrecht over 2015. Zij stelde primair dat het fosfaatrecht op basis van 2012 had moeten worden vastgesteld, omdat toen de melkproductie hoger en representatiever was. Subsidiair voerde zij aan dat haar melkproductie over 2015 verhoogd moest worden, onder meer vanwege melkverkoop aan huis en het niet kunnen leveren aan de melkfabriek.
Het College overwoog dat de knelgevallenregeling in artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet een limitatieve opsomming kent van omstandigheden die tot een herziening kunnen leiden. Het niet kunnen leveren aan de melkfabriek valt hier niet onder, zodat appellante niet voor deze regeling in aanmerking komt. Daarnaast concludeerde het College dat appellante onvoldoende bewijs leverde van melkverkoop aan huis en dat het melkquotum dat zij verleaste niet op haar bedrijf werd geproduceerd.
Ook het standpunt dat appellante als zelfzuivelaar moet worden aangemerkt, werd verworpen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht is ongegrond verklaard.