ECLI:NL:CBB:2020:106
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing vergroeningsbetaling 2017 wegens vermeende kennelijke fout
Appellante vroeg in 2017 uitbetaling van basisbetaling, vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers aan de hand van een gecombineerde opgave waarin perceel 32 was opgegeven als ecologisch aandachtsgebied (EA). Verweerder nam dit perceel niet mee voor de vergroeningsbetaling omdat vanggewas na mais op uitspoelingsgevoelige grond niet meetelt als EA.
Appellante stelde dat ook percelen 44, 45 en 46 vanggewas bevatten en dat zij daarmee ruimschoots aan de EA-eis voldeed. Deze percelen waren echter niet opgegeven in de opgave en konden niet worden meegenomen omdat het verzoek te laat was ingediend. Appellante voerde aan dat sprake was van een kennelijke fout door een gebrek aan samenhang in het formulier en dat verweerder dit had moeten onderkennen.
Het College overwoog dat de gecombineerde opgave 2017 samenhangend en logisch was en geen tegenstrijdigheden bevatte die bij een eenvoudige administratieve controle een vergissing hadden moeten doen vermoeden. De melding in de opgave dat aan de EA-norm was voldaan kon appellante niet vrijwaren van kennis van de regelgeving die het perceel 32 uitsloot.
Het College stelde vast dat verweerder niet gehouden was om bij de beoordeling van de aanvraag te controleren of aan alle voorwaarden voor EA werd voldaan, ook al was een cross-check mogelijk. De stelling van appellante dat sprake was van een kennelijke fout werd verworpen en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de vergroeningsbetaling 2017 wordt ongegrond verklaard.