ECLI:NL:CBB:2020:117
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op startersregeling fosfaatrechten en proceskostenveroordeling
Appellante, een commanditaire vennootschap die een melkveebedrijf exploiteert, voerde aan dat zij als nieuw gestart bedrijf moest worden aangemerkt voor toepassing van de startersregeling fosfaatrechten. Zij stelde dat het bedrijf in 2012 was gestart en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrechten aantastte door een individuele en buitensporige last.
Het College oordeelde dat appellante geen nieuw gestart bedrijf is, maar een voortzetting van het bedrijf van [naam 1] B.V. dat sinds 2012 actief was. De voorwaarden van de startersregeling zijn dan ook niet van toepassing. Voorts verwierp het College het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het recht op eigendom.
Het College stelde vast dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een individuele en buitensporige last draagt. Appellante had een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten bij haar investeringen, gezien de bekende risico's van het fosfaatrechtenstelsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het College veroordeelde de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van appellante wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.