ECLI:NL:CBB:2020:121
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten vaststelling bij uitbreiding melkveebedrijf na peildatum
Appellant, een melkveehouder, betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrechten door verweerder, omdat hij op 22 juni 2015 1,76 hectare grond had aangekocht en later een uitbreidingsvergunning verkreeg. Verweerder had deze grond en de hogere vergunning niet meegenomen bij de vaststelling van het fosfaatrecht per 1 januari 2018, omdat de peildatum voor grondbezit 15 mei 2015 is en de dieraantallen zijn vastgesteld op 2 juli 2015.
Het College overwoog dat de bepalingen van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet duidelijk stellen dat alleen de grond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoort, meetelt voor de fosfaatruimte. Appellant beschikte toen niet over de aangekochte grond. Ook is het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, zoals eerder door het College is vastgesteld.
Verder is beoordeeld of de toegepaste korting en de vaststelling van het fosfaatrecht een individuele en buitensporige last voor appellant oplevert. Het College concludeerde dat appellant vooruitliep op de vergunning die pas na 2 juli 2015 werd verleend en dat hij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van het uitgangspunt af te wijken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.