ECLI:NL:CBB:2020:140
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over dwangsom voor illegaal taxivervoer in Amsterdam
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam zonder geldige Taxxxivergunning, kreeg een last onder dwangsom van €5.550 opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer op een illegale opstapplaats. Dit volgde op een constatering van de politie dat appellant met een als taxi herkenbare auto op een laad- en losplaats nabij het Centraal Station stond, zonder een rit te laden of lossen.
Appellant voerde in beroep aan dat hij via Uber werkte en niet actief taxivervoer aanbood, maar slechts wachtte op een oproep. Hij wees erop dat hij door de strafrechter in een vergelijkbare zaak in Den Haag was vrijgesproken. Het College oordeelde echter dat het stilstaand zijn op een illegale opstapplaats zonder een bestelde rit het aanbieden van taxivervoer rechtvaardigt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een bestelde rit of overmacht.
Het College verwierp het beroep en handhaafde de dwangsom. De vrijspraak in de strafzaak in Den Haag was niet relevant voor de bestuursrechtelijke beoordeling in Amsterdam. Ook werd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de dwangsom niet kan betalen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de dwangsom wegens illegaal aanbieden van taxivervoer wordt ongegrond verklaard.