ECLI:NL:CBB:2020:155
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en proceskostenveroordeling in melkveehouderijzaak
Appellant exploiteert een melkveehouderij en had zijn veestapel uitgebreid met vergunningen en investeringen. Verweerder stelde het fosfaatrecht aanvankelijk op nul, maar herzag dit naar 6.492 kg op basis van een alternatieve peildatum. Appellant stelde dat het fosfaatrechtenstelsel zijn eigendomsrecht aantast en een individuele buitensporige last oplegt.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het recht op eigendom zoals neergelegd in het Eerste Protocol bij het EVRM. Appellant maakte niet aannemelijk dat hem een individuele buitensporige last werd opgelegd, mede omdat hij bewust uitbreidde terwijl het stelsel al voorzienbaar was.
Het College constateerde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en concludeerde dat appellant hierdoor niet benadeeld was. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige investeringsbeslissingen in het licht van veranderende regelgeving en bevestigt de rechtmatigheid van het fosfaatrechtenstelsel binnen de kaders van het eigendomsrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.