ECLI:NL:CBB:2020:156
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten en proceskosten bij melkveehouderij-uitbreiding
Appellante, een melkveehouderij, betwistte de vaststelling van haar fosfaatrechten door verweerder, stellende dat onjuiste uitgangspunten werden gehanteerd en dat zij een individuele en buitensporige last ondervindt door het fosfaatrechtenstelsel. Zij voerde aan dat een deel van de grond ten onrechte niet als landbouwgrond werd meegeteld en dat zij feitelijke beschikkingsmacht had over extra grond die niet was meegenomen.
Het College oordeelde dat de minister terecht een korting toepaste omdat niet alle grond als landbouwgrond kon worden aangemerkt en dat appellante niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de extra grond. Verder werd geoordeeld dat de investeringen van appellante plaatsvonden in een periode waarin productiebeperkende maatregelen voorzienbaar waren en dat zij op de peildatum niet over alle benodigde vergunningen beschikte.
Het beroep werd ongegrond verklaard, omdat geen sprake was van een individuele en buitensporige last. Wel werd het gebrek aan motivering in het bestreden besluit gepasseerd en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van haar fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.