ECLI:NL:CBB:2020:221

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
18/2707
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Meststoffenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling knelgevallenregeling fosfaatrecht bij niet gerealiseerde uitbreidingen op peildatum

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het bezwaar tegen de vaststelling van het fosfaatrecht ongegrond werd verklaard. Het geschil betreft de uitleg van artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet en de toepassing van de knelgevallenregeling.

Appellante exploiteert een melkveehouderij en had een koopovereenkomst gesloten voor de aankoop van 60 melk- en kalfkoeien, die door een voetbreuk van een van de maten niet kon worden gerealiseerd. Appellante stelde dat de niet gerealiseerde uitbreiding op de peildatum in aanmerking moest worden genomen bij het vaststellen van het fosfaatrecht. Verweerder stelde dat niet gerealiseerde uitbreidingen, ook op de peildatum, niet meetellen.

Het College heeft het standpunt van verweerder bevestigd en gewezen op vaste rechtspraak waarin is bepaald dat de knelgevallenregeling niet ziet op niet gerealiseerde uitbreidingen, ook niet op de peildatum. De door appellante aangevoerde argumenten bieden geen aanleiding tot een andere beoordeling. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2707

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.C.H. Peters),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. A.R. Alladin).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] , zoons van de maten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (de peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt het fosfaatrecht van de landbouwer bepaald door verweerder aan de hand van het melkvee waarover de landbouwer zonder de buitengewone omstandigheden – voor zover hier van belang ziekte van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer – zou hebben beschikt indien de landbouwer aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager uitvalt (de knelgevallenregeling).
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Zij is op 3 maart 2015 een koopovereenkomst aangegaan met een veehandelaar voor de aankoop van 60 melk- en kalfkoeien, waarvan per 30 maart 2015 elke week 10 melk- en kalfkoeien geleverd zouden worden. Op 25 februari 2015 heeft een van de maten een voetbreuk opgelopen. Op
23 maart 2015 is deze voetbreuk door de huisarts vastgesteld. Vanwege de voetbreuk is de koopovereenkomst ontbonden op 25 maart 2015. Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 101 melk- en kalfkoeien en 88 stuks jongvee.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.309 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op de peildatum op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hierin heeft verweerder uiteengezet dat appellante niet in aanmerking komt voor verhoging van het fosfaatrecht op grond van de knelgevallenregeling, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat op de peildatum het aantal fosfaatrechten minimaal 5% lager was als gevolg van de ziekte. Met niet gerealiseerde uitbreiding wordt daarbij geen rekening gehouden.
4.1
Appellante betoogt dat verweerder artikel 23, zesde lid, van de Msw verkeerd uitlegt. Uit de woorden “zou hebben beschikt” van deze bepaling blijkt dat moet worden gekeken naar de situatie zoals die op het bedrijf was geweest op de peildatum als de bijzondere omstandigheid zich niet had voorgedaan. Zij ziet zich hierin gesteund door de inhoud van de memorie van toelichting, waaruit blijkt dat groei na de peildatum niet kan worden meegenomen. Het gaat hier om geplande groei vóór de peildatum; zonder de voetbreuk waren er op het bedrijf 60 melk- en kalfkoeien extra geweest. Verweerder had daarmee bij de toepassing van de knelgevallenregeling rekening moeten houden.
4.2
Dit betoog faalt. In de knelgevallenregeling heeft de wetgever ervoor gekozen om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit uitgangspunt niet alleen van toepassing is voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na de peildatum, maar ook op niet gerealiseerde uitbreidingen op die peildatum. Het College heeft dat standpunt in zijn vaste rechtspraak in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 en 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232). In wat appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. Verweerder heeft bij de toepassing van de knelgevallenregeling dus terecht geen rekening gehouden met de niet gerealiseerde groei.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.