Appellant, werkzaam als taxichauffeur voor TCA op de bel- en contractmarkt, werd een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer zonder Taxxxivergunning op de Amsterdamse opstapmarkt. Op 17 januari 2018 constateerde een agent dat appellant met een taxi op een laad- en losplaats stond, zonder dat hij kon aantonen dat hij een rit uitvoerde. Appellant voerde aan dat hij wachtte op een oproep en geen taxivervoer aanbood.
Verweerder handhaafde de last onder dwangsom, waarna appellant bezwaar maakte en in beroep ging. Het College oordeelde dat het ontbreken van een hoorzitting mogelijk een procedurele tekortkoming vormde, maar dat appellant daardoor niet benadeeld was omdat hij zijn standpunten schriftelijk had kenbaar gemaakt.
Het College stelde vast dat het stilstaan op een als illegale opstapplaats bekendstaande laad- en losplaats zonder een bestelde rit een aanwijzing is voor het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij op dat moment een rit uitvoerde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten wegens het ontbreken van een hoorzitting. De dwangsom en last werden gehandhaafd.