Appellante exploiteert een melkveehouderij en kampte vanaf 25 april 2015 met diergezondheidsproblemen die de melkproductie negatief beïnvloedden. Verweerder stelde het fosfaatrecht aanvankelijk vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, maar verhoogde dit later deels op basis van de knelgevallenregeling en de situatie op 25 april 2015.
Appellante voerde aan dat de dierziekte al vanaf mei 2014 bestond en dat daarom een alternatieve peildatum en melkproductiecijfers moesten worden gehanteerd. Het College oordeelt dat appellante geen bewijs heeft geleverd dat de dierziekte zich vóór 25 april 2015 voordeed, zodat deze datum als peildatum geldt. De melkproductie over 2015 is niet representatief, en de melkproductie over 2014 is passend voor de vaststelling van het fosfaatrecht.
Verweerder heeft het fosfaatrecht te laag vastgesteld door niet alle relevante jongvee mee te rekenen. Het College vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht vast op 3.351 kg, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.