ECLI:NL:CBB:2019:248
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit fosfaatrecht wegens onjuiste berekening melkproductieperiode
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2018 waarbij het fosfaatrecht werd vastgesteld op 2.703 kg. Na een melding bijzondere omstandigheden en een daarop volgend bezwaar wees verweerder dit bezwaar af in het bestreden besluit van 19 oktober 2018. Appellant stelde dat vanwege diergezondheidsproblemen vanaf juni 2014 het aantal melkkoeien en de melkproductie per koe fors was gedaald, waardoor het fosfaatrecht minimaal 5% lager moest worden vastgesteld.
Verweerder erkende de daling en herrekende het fosfaatrecht op basis van een alternatieve peildatum 9 juni 2014 en de melkproductie over kalenderjaar 2013, wat resulteerde in een fosfaatrecht van 2.842,8 kg. Het College oordeelde dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag was vastgesteld en dat de gemiddelde melkproductieperiode niet per se een kalenderjaar hoeft te zijn, maar representatief moet zijn en aansluit bij de bijzondere omstandigheden.
Het College stelde dat de periode juni 2013 tot en met mei 2014 representatief is en dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde het College verweerder in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuwe beslissing nemen met een aangepaste berekening van het fosfaatrecht.