ECLI:NL:CBB:2020:229

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
7 april 2020
Zaaknummer
18/2915
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MeststoffenwetBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring beroep fosfaatrechten wegens ontbreken procesbelang

Appellante, een maatschap, stelde beroep in tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de vaststelling van haar fosfaatrecht. Na een herzieningsbesluit en een ongegrond verklaard bezwaar, trok verweerder het eerdere besluit in en stelde het fosfaatrecht vast op een hoger niveau dat volledig aan appellante's wens voldeed.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beoordeelde ambtshalve of appellante nog procesbelang had, aangezien een beroep alleen ontvankelijk is als het de appellant in een betere positie kan brengen. Het College concludeerde dat het procesbelang was komen te vervallen door het nieuwe besluit van 14 februari 2020.

Daarom verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde het College verweerder tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht en reiskosten, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven in strafzaken.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2915

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J. ten Hoven- de Beer)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het toekenningsbesluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 117 kg.
Bij besluit van 25 september 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het toekenningsbesluit herzien en het fosfaatrecht vastgesteld op 44 kg.
Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft nadien aanvullende stukken ingediend.
Bij besluit van 14 februari 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 ingetrokken en vervangen door het bestreden besluit 2, het herzieningsbesluit herroepen en het fosfaatrecht, geheel volgens de wens van appellante, vastgesteld op 445 kg.
Appellante heeft een reactie gegeven op het bestreden besluit 2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Namens appellante zijn verschenen haar maten [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College beoordeelt ambtshalve, dat wil zeggen ook als dit niet door partijen is aangevoerd, of appellante procesbelang heeft. Zij heeft geen belang als haar beroep haar niet in een betere positie kan brengen (ECLI:NL:HR:2014:878). Als procesbelang ontbreekt, dan is het beroep niet-ontvankelijk.
2. Het College is van oordeel dat hiervan sprake is. Het procesbelang bij het beroep is komen te vervallen, doordat verweerder met zijn beslissing van 14 februari 2020 volledig aan appellante is tegemoet gekomen. Daarom zal het College het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, stelt het College de door verweerder aan appellante te vergoeden reiskosten vast op € 118,16.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 338 aan appellante dient te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 643,16.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.