Appellante, een maatschap, stelde beroep in tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de vaststelling van haar fosfaatrecht. Na een herzieningsbesluit en een ongegrond verklaard bezwaar, trok verweerder het eerdere besluit in en stelde het fosfaatrecht vast op een hoger niveau dat volledig aan appellante's wens voldeed.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beoordeelde ambtshalve of appellante nog procesbelang had, aangezien een beroep alleen ontvankelijk is als het de appellant in een betere positie kan brengen. Het College concludeerde dat het procesbelang was komen te vervallen door het nieuwe besluit van 14 februari 2020.
Daarom verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde het College verweerder tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht en reiskosten, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven in strafzaken.